Nog eenmaal Heesters – Het ware gezicht

Dit artikel is geschreven door de Duitse wetenschapper en schrijver Volker Kühn. Met zijn toestemming vertaald naar het Nederlands door Bert Bakkenes (AFVN) het is samengesteld uit het hoorboek "Gehuild met de Wolven" en het boek: "Der Kompaß pendelt sich ein" over amusement en cabaret in het Nazi-Duitsland, beide van de hand van Volker Kühn.

Voor de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw geldt versterkt de oude waarheid dat niemand kan kiezen onder welke politieke en maatschappelijke omstandigheden men leeft en een beroep uitoefent. De gewetensnood waar een advocaat in kan geraken als na een wisseling van systeem – bijvoorbeeld van democratie naar dictatuur – plotseling onrecht als recht wordt gezien, is niet iets waar een artiest zo snel tegenop loopt. De artiest ziet zich meestal als kunstenaar en verder niets. Hij ziet zichzelf als a-politiek, en is er steeds op gespitst om zichzelf aan nieuwe omstandigheden aan te passen, zoals hij heeft geleerd om nieuwe trends te accepteren, met zijn tijd mee te gaan, met alle wolven in het bos te huilen en iedere nieuwe mode op de voet te volgen. Als men op deze manier vooral op het verkrijgen van succes is ingesteld, kan het al snel zo zijn dat de bovengenoemde "aanpassingswoede" bepaalde moraal categorieën tot luxe bombardeert.

Dit geldt in het bijzonder voor de kunstenaarsaanhang, die in Nazi-Duitsland met liederen als "Bommen op Engeland" en het "Ruslandlied" de miljoenen Hitler-meelopers de maat sloegen, ze in stemming en op het rechte pad hielden, en ze met muziek het verderf in stuurden. Burgermoed was hun zaak niet. "Waar staat het geschreven," vraagt Zarah Leander zich naïef af in haar Levensherinneringen, "dat uitgerekend artiesten verstand van politiek moeten hebben? Ik ben er bijna blij om dat men mij het etiket ‘politieke idioot’ heeft opgeplakt. Maar als dit ook werkelijk klopt moet men tegen mij geen loze aanklachten meer indienen met betrekking tot een politiek verdacht verleden." [1]

Men liet haar inderdaad met rust, de lange roodharige dame uit Zweden. En alle anderen ook. Het Nazi Duitsland was nog niet in puinhopen verzonken of op de platenspelers draaiden al weer de oude vrolijke liedjes. En eerst in de bioscoop, maar later ook op televisie werden de filmsuccessen van toen gedraaid, zonder enige aanwijzing dat het propaganda minister Goebbels was, die deze "goede stemming" plande, voorbereide, in scène zette, regisseerde, vrij gaf en onder het volk bracht. In het Duitsland van de vijftiger jaren, toen men de mouwen opstroopte om het puin weg te ruimen en het welvaartswonder ontwikkelde, werden er geen ongemakkelijke vragen gesteld. Er werd niet gesproken over het recente verleden, hoe het zo was gekomen, wat er precies was gebeurd, en al helemaal niet over de schuld van individuele persoonlijkheden.

Deze vragen werden ook niet gesteld aan een man die al 80 jaar in Duitsland het moeilijke vak van het amusement uitoefent, en meer ervaren is dan wie dan ook. Toen Johannes Heesters midden jaren dertig zijn vaderland verliet en de Nederlandse grens overstak om in Duitsland zijn weg te vinden stonden zijn sterren om de top te bereiken in een gunstige opstelling. Hij was jong, zag er goed uit, beheerste zijn vak, was geschikt voor zowel film als theater en gaf zich niet alleen op het podium of het witte doek uit als charmeur. Niets stond een sprookjescarrière in de weg, vooral ook omdat de grote stralende operettetenoren van die tijd, Richard Tauber, Joseph Schmidt en Max Hansen vanwege hun joodse afkomst werden vervolgd en uit Duitsland verdreven. Zijn eerste film "Der Bettelstudent" bracht ook meteen de doorbraak. Ook voor het UFA droompaar Johannes Heesters/Marika Rökk. Niet alleen op het witte doek bewees de charmante Hollander zich als publiekstrekker.

In 1938 speelde hij voor het eerst de rol van Danilo in de "Lustigen Witwe" in het Gärtnerplatz-Theater in Munchen. Hitler verschijnt in het theater met een groot gevolg en na de voorstelling overdekt hij Heesters met complimenten. "Hij meende het goed met mij," herinnert zich de gevierde ster jaren later. "Hij kwam op me af, drukte me met beide handen de rechterhand en zei: ‘Ik dank u voor deze prachtige avond. De Lustigen Witwe is mijn lievelingsoperette, en u bent de beste Danilo, die ik ooit heb gezien!" [2]

Dit soort lofprijzingen van de hoogste staatsmacht hadden altijd een prijskaartje. Heesters kan zich een "aantal optredens herinneren voor nationaal-socialistische doeleinden, waar men zich niet aan kon onttrekken." [3]

Hij voerde zijn verplichtingen uit met de gebruikelijke operetteglimlach op zijn gezicht. Hierin komt ook geen verandering als de Nazi’s Nederland binnenvallen. Heesters trad in het "Wunschkonzert für die deutsche Wehrmacht" op, hij zingt voor de soldaten in lazaretten, gaat de straat op om geld in te zamelen voor de Winterhulp, bezoekt troepenonderdelen en geeft speciale voorstellingen voor de SS-Leibstandarte Adolf Hitler. In oktober 1940 is Goebbels aanwezig in het Admiralpalast in Berlijn voor een nieuwe uitvoering van de Lustigen Witwe. Alles verloopt zoals gepland. Na afloop noteert de propagandachef kort en bondig: "Goede voorstelling. Heesters en Ksirova…. Het soldatenpubliek is razend enthousiast." [4]

Een half jaar later wordt het ensemble van het Gärtnerplatz-Theater in Munchen, waar Heesters intussen in Benatzkys muzikale komedie "Axel an der Himmelstür" triomfen viert, uitgenodigd om het nabij gelegen concentratiekamp Dachau te bezoeken. "Voor een rondleiding in het kamp", zoals Heesters zich later herinnert. "Vandaag noemt men dit Open Dag." [5] Hoe deze "Open Dag" er precies heeft uitgezien valt op te maken uit een fotoserie die de SS heeft gemaakt ter ere van het hoge bezoek. We zien Heesters in begeleiding van de kampcommandant SS-Obersturmführer Alex Piorkowski, tijdens een rondgang door het kamp, Heesters in een werkplaats voor een buste van Hitler, Heesters bij de soepketels en het koude buffet, Heesters op de appelplaats en Heesters voor de barakken in het kamp. Op de achtergrond speelt een gevangenenorkest ter begroeting van de gasten; uitgemergelde kaalgeschoren gestalten in gestreepte concentratiekamppakken. In 1978 laat Heesters weten dat het kamp er wat hem betreft uitzag als een "typisch soldatenkamp: "Het zag er uit als een Arbeitsdienst of Hitler Jugendkamp die we vaak in de bladen tegenkwamen." [6] Vijftien jaar later, en met wat meer afstand weet hij al wat meer: "We wisten wel dat steeds opnieuw collega’s voor straf in het concentratiekamp Dachau werden gestopt, omdat ze hun misprijzen geuit hadden. God zij dank kwamen de kunstenaars steeds weer vrij." [7]

Ook deze inschatting van hoe het Nazi-tuig in de concentratie- kampen met kunstenaars en andere gevangenen omging die daar op politieke of racistische gronden gevangen werden vastgehouden komt niet overeen met de werkelijkheid van de geschiedenis. Immers, een paar maanden voor de "Open Dag" toen Heesters het kamp bezocht, werd Lehár-Librettist Fritz Grünbaum, ook een beroemde conferencier in Wenen en Berlijn, in Dachau doodgemarteld. Tot de artiesten die hun periode in concentratie- kampen niet overleefden behoorden veel collega’s van Heesters: Mia Werber en Louis Treumann, Eugen Burg, Siegfried Translateur, Mathilde Sussin, Ernst Arndt stierven in Theresienstadt, Jura Soyfer, Theodor Waldau en Manfred Voss in Buchenwald, Paul O'Montis kwam in Sachsenhausen om het leven, Herta Felden in Ravensbrück, Moriz Seeler in het Getto van Riga, Fritz Spira in Ruma, Hans Meyer-Hanno in Bautzen, Alfred Heinen en Kurt Lilien in Sobibor, Edgar Weil in Mauthausen, Manfred Greiffenhagen in Dachau. Willy Rosen, Kurt Gerron, Max Ehrlich en Franz Engel stierven in de Gaskamers van Auschwitz, net als Guido Gialdini, Otto Bernstein en Mara Rosen, Franz Egon Klein en Richard Fall, Myra en Leo Strauß, Peter Hammerschlag en Walter Lindenbaum, Dora Gerson en Alice Dorell, James Klein en Cläre Arnstein, Ben Spanier en Fritz Grünne, Geza Weisz, Liesl Frank en Hermann Feiner.

Ook onder de meer dan 100.000 Nederlanders die door de Nazi’s naar concentratiekampen werden gevoerd waren veel toneelspelers, zangers en zangeressen: zangeres Esther Philipse werd in Auschwitz vergast, de Tenor Michel Gobets stierf in Dachau, het populaire zangduo "Johnny and Jones" kwam in Bergen-Belsen om. Maar enkelen kwamen om omdat ze hun misprijzen hadden geuit, de meeste werden vermoord omdat ze niet van arische afstamming waren, zoals het heette. Hetzelfde overkwam de uitzonderlijke joodse librettist en tekstschrijver van de Lehár-Operette: Fritz Löhner, die het "Land des Lächelns" en "Friederike" schreef, kwam in Auschwitz om het leven, Bela Jenbach, de Auteur van de "Zarewitsch", stierf in 1943 in een schuilplaats waar hij zich voor de Nazi’s verborgen hield. 

Fritz Hirsch, de voor Hitler naar Nederland gevluchte chef van het beroemde Hirsch-Operette-Ensemble, een goede vriend van Heesters, die de zanger indertijd voor zijn bruiloft had uitgenodigd en hem in 1938 nog eenmaal terughaalde naar Nederland om onder zijn regie in Amsterdam en Den Haag in "Gräfin Mariza" successen te vieren, heeft de Nazi-tijd niet overleefd. Hij stierf in het concentratie- kamp Mauthausen. Hugo Helm, de assistent van Hirschs en impresario werd in Auschwitz vermoord.

Ook Paul Morgan, de schrijver van de teksten die Heesters na de bezichtiging van Dachau voor het vermaak van de SS-bewakers ten gehore bracht, de auteur van de muzikale komedie "Axel an der Himmelstür" waarmee Heesters de bewakers "vrolijke en heldere uurtjes" bezorgde was toen allang vermoord. Hij ging in 1938 gekweld ten gronde in Buchenwald. In Dachau werden de Benatzky liederen nog eenmaal ten gehore gebracht, de auteur van de liederen, waaronder: "Ich bin ein Star, ein Kinostar", "Der Dumme hat's Glück", "Mein schönes Fräulein, gute Nacht" en "Gebundene Hände", werd als onbekend aangegeven. 

Heesters heeft altijd bestreden dat hij voor de SS is opgetreden, ook nog toen het in leder gebonden fotoalbum weer opdook met daarin 50 foto’s van het bezoek. Het fotoalbum bevatte ook een boodschap aan het Gärtnerplatz-Ensemble van de concentratiekamp- commandant: "Ik draag dit op aan de lieve artiesten die ons op 21-5-1941 met een vrolijke en heldere namiddag in concentratiekamp Dachau veel plezier bezorgden," Piorkowski, SS-Sturmbannführer" [8]

Maar er zijn getuigen die het concentratiekampoptreden van Heesters en zijn gezelschap, inclusief het orkest en het ballet, meegemaakt hebben. Aan commandant Piorkowski kunnen we het niet meer vragen. Hij werd in 1947 voor een Amerikaanse rechtbank gebracht, ter dood veroordeeld en opgehangen. Maar Viktor Matejka de langjarige cultureel vertegenwoordiger in Wenen, kan het zich nog goed herinneren. Hij kreeg in die tijd als gevangene in Dachau een speciale opdracht toegewezen, om het toneelgordijn te bedienen. "Het ging om een operette, een typische Heesters operette. Het was een reizend gezelschap, dat door de SS was aangetrokken. Ook als fronttheater in de concentratiekampen. Ze speelden alleen voor de SS, niet voor de gevangenen." [9]

Voetnoten:
[1] Zarah Leander: Es war so wunderbar, Ullstein-Verlag, Frankfurt/M, Berlin, Wien, 1983

[2] Johannes Heesters: "Es kommt auf die Sekunde an", Goldmann Verlag München, 1980

[3] Johannes Heesters: "Ich bin gottseidank nicht mehr jung", Edition Ferenczy bei Bruckmann Verlags KG, München, 1993

[4] Goebbels-Tagebuch, Eintrag vom 22.10. 1940

[5] Johannes Heesters: "Es kommt auf die Sekunde an", Goldmann Verlag München, 1980

[6] Johannes Heesters: "Es kommt auf die Sekunde an", Goldmann Verlag München, 1980

[7] Johannes Heesters: "Ich bin gottseidank nicht mehr jung", Edition Ferenczy bei Bruckmann Verlags KG, München, 1993,

[8] Een kopie is in het bezit van de auteur

[9] Viktor Matejka in een TV-interview met de auteur op 18-5-1990


ARCHIEF