AFVN

Oorzaken en gevolgen van de oorlog in Mali

Auteur: Mohamed Hassan *

Wat voorafging: crisis en oorlog

Sinds de jaren 1970 is het kapitalistische systeem in crisis. In de jaren 1980 reageerden de wereldleiders hierop met een ultraliberaal beleid en een scherp ideologisch offensief tegen het communisme. In Afrika, Azië en Latijns-Amerika werd dit beleid geformuleerd in de beruchte structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s), die deze staten fel hebben verzwakt en alles wat er nog restte aan infrastructuur en sociale diensten hebben weggeveegd. In de kapitalistische wereld werden alle bestaande regels en afspraken systematisch afgebouwd, vooral en op de meest ingrijpende manier in de bankwereld. Maar ook de arbeidswetgeving, de sociale zekerheid en de vakbondsrechten werden in vraag gesteld.

Toen in 1990 het socialisme in de Sovjet-Unie ineenstortte, heerste in het Westen euforie: men sprak over het einde van het socialistische tijdperk in de geschiedenis en de definitieve overwinning van het kapitalisme. Het vierletterwoord TINA (there is no alternative) maakte opgang. Maar midden jaren 1990 werd deze euforie toch wat getemperd en zocht het kapitalisme, dat in crisis was, een nieuwe vijand. Daar kwam de theorie over de clash of civilisations, de oorlog tussen de beschavingen van Samuel Huntington van pas. De islam werd daar reeds als vijand afgeschilderd.

Op geostrategisch vlak had je het invloedrijke boek van de Poolse Amerikaan Zbigniew Brzezinski, The Grand Chessboard (Het grote schaakspel) met als ondertitel American Primacy and Its Geostrategic Imperative (de Amerikaanse voorrang en haar geostrategische noden). Voor Brzezinski moesten de VS steun zoeken bij de Europese Unie en andere grote Oost-Europese landen, zoals Polen en Oekraïne, om op die manier heel Eurazië te controleren; het grootste vasteland ter wereld dat zowel Europa als het Aziatische continent omvat.

Op het einde van het presidentschap van Clinton kwam dan het PNAC-project (Project for a New American Century) waarmee de Amerikaanse neoconservatieven pleitten voor het hertekenen van het Grote Midden-Oosten. George Bush Jr., de volgende president van de VS, voerde deze politieke beslissing uit. Gevolg: het eerste decennium van deze eeuw werd dooreengeschud door de oorlogen in Irak en Afghanistan.

De grote misrekening

De oorlog in Irak ging dus tien jaar geleden van start met veel machtsvertoon en met erg veel geweld. Toch kun je vandaag enkel vaststellen dat de VS deze oorlog hebben verloren. Na tien jaar VS-bezetting is de politieke controle over het land in handen van een regering die meer luistert naar buurland Iran – aartsvijand van Washington – dan naar haar Amerikaanse broodheren zelf. Als het de bedoeling van de VS was om, door de bezetting van Irak, de olieproductie op wereldschaal te controleren, dan is ook dat mislukt: een belangrijk deel van de Iraakse olie gaat tegenwoordig naar China. En de prijsstijgingen van het zwarte goud hebben ook andere olieproducerende landen verrijkt die niet zo goed liggen bij de VS, o.a. Algerije, Venezuela, Libië en Rusland. Deze landen konden zo belangrijke monetaire reserves opbouwen, wat hen meer kans gaf op een onafhankelijke koers.

Om Rusland verder te verzwakken, heeft Washington in de jaren 1990 steun verleend aan radicale islamisten in Tsjetsjenië. In een bloedige strijd werd onder andere de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny vernield en was er in september 2004 het gijzelingsdrama in de school van Beslan.[1] Maar Rusland hield stand en onder Poetin is het terug een zelfstandig land geworden met een sterke economische groei.

Maar vooral in China hebben de VS zich vergist. De bedoeling was dat de verdere doorvoer en groei van de vrije markt uiteindelijk tot de ineenstorting van het socialistisch staatsbestel zou leiden, zoals eerder in de Sovjet-Unie. Maar dat gebeurde niet en de Chinese economie bleef groeien. China stak de grote kapitalistische landen één voor één voorbij en is vandaag de tweede grootste economische (na de VS) en de eerste handelsmogendheid ter wereld geworden (voor de VS). Als deze evolutie zich doorzet is het nog slechts een kwestie van tijd vooraleer China ook de VS voorbijsteekt. In het zog van China volgt nog een aantal grote derdewereldlanden, zoals India en Brazilië. Ook enkele grote Afrikaanse landen zijn opkomende, sterk evoluerende landen: Zuid-Afrika, Angola en Nigeria. De belangrijkste opkomende landen vormen samen de BRICS (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika).

Naarmate deze evolutie vorderde, werd men in het Westen steeds wanhopiger door het uitblijven van een pro-Westerse Chinese Lente. De idee groeide om China openlijk als strategische tegenstrever te benaderen, wat een tweede Koude Oorlog en een politiek van omsingeling, indijking en confrontatie met zich meebracht. Toen president Obama in november 2011 een grootscheepse rondreis deed in Azië, verklaarde hij voor het Australische parlement dat de VS een Pacific Power zijn en blijven, doelend op de Stille Oceaan die tussen de VS en Azië ligt. “Azië is vanaf nu de topprioriteit voor de VS”, zei hij nog. Het is geen toeval dat de eerste buitenlandse reis van Obama na de presidentsverkiezingen vorig jaar niet naar Europa of Latijns-Amerika ging, maar wel naar Birma, een sleutelland in de omsingeling van China.

Het groeiend strategisch belang van Afrika

Tijdens deze nieuwe politieke evolutie werd in 2008 Africom (United States Africa Command) opgericht. Het gaat om een belangrijke strategische hervorming van de hoogste commandocentra van het Amerikaanse leger. Africom brengt alle operaties van het Amerikaanse leger in Afrika voortaan onder één commando samen. Het hoofdkwartier bevindt zich in Stuttgart. Voordien waren er drie verschillende commando’s. Het gaat niet om een schoonheidsoperatie: deze hervorming illustreert het groot strategisch belang van het Afrikaanse continent in de VS-politiek van confrontatie met China.

De snel voortschrijdende technologische ontwikkeling maakt dat er steeds meer en nieuwe grondstoffen nodig zijn voor de industrie van de kapitalistische landen, maar ook voor China en de andere opkomende economieën. In de Afrikaanse ondergrond zitten grote onaangeroerde reserves aan olie en gas en aan gewone en zeldzame metalen. Het continent bezit naar schatting 40 % van de minerale grondstoffen in de wereld en is dus van groot strategisch belang.

De spectaculaire groei van China en de andere opkomende economieën vereist zeer veel grondstoffen. Bovendien hebben de BRICS grote nood aan exportmogelijkheden. Afrika vormt ook voor hen een veelbelovende afzetmarkt. Als de VS de verdere opkomst van China een halt wil toeroepen dan vormt Afrika daarin een sleutelelement voor het komende decennium. Ondertussen is China al enkele jaren Afrika’s belangrijkste handelspartner. De VS volgen als tweede. Beiden hebben de voormalige koloniale moederlanden Frankrijk en Groot-Brittannië voorbijgestoken.

De controle over Afrika veroveren is een dringende zaak voor Washington. Dat kan niet alleen gebeuren door concurrentie met economische actoren op een ‘vrije markt’. Voor het imperialistische blok is dat ook een militaire kwestie. Vandaar de beslissende rol die de legers van de VS en Europese landen sinds 2011 speelden in de oorlogen in Ivoorkust, Libië en nu Mali. Daarbij valt het op dat de VS zich openlijk discreter lijken op te stellen, maar tegelijk toch, met hun Africom en hun enorm politiek en diplomatiek netwerk, de leiding stevig in handen houden.

Dit directe militaire optreden van legers uit de NAVO-lidstaten in Afrikaanse oorlogen, met daarin een sleutelrol voor Africom, zal de komende jaren enkel toenemen. Daarnaast is Africom ook betrokken bij een spectaculair groeiend aantal militaire samenwerkingsprogramma’s met Afrikaanse legers, onder de vorm van opleidingen en gezamenlijke oefeningen. Doel is voet in huis te krijgen bij deze legers en de oorlogen in Afrika zoveel mogelijk te laten uitvechten door divisies van Afrikaanse legers – maar uiteraard steeds in functie van de VS-belangen.

Deze strategie past Washington al jaren toe in twee landen die geostrategisch zeer belangrijk zijn: Somalië en de Democratische Republiek Congo. De legers van respectievelijk Ethiopië, Oeganda en Rwanda knappen daar het werk op. Vandaag schakelen de VS een versnelling hoger bij het voorbereidend werk voor dit soort interventies. In 2012 kreeg een brigade van het Amerikaanse leger de opdracht om actief op te treden in een recordaantal van 35 Afrikaanse landen.

Deze poging om Afrika militair te onderwerpen om de economische invloed van China en de andere opkomende economieën te controleren gebeurt onder het mom van de strijd tegen het terrorisme. En zo komen we bij de islamistisch-fundamentalistische beweging en de zogenaamde Arabische Lente.

De verspreiding van het islamfundamentalisme

De Arabische Lente, voorgesteld als een revolutionaire omwenteling die alle dictaturen in de Arabische wereld zou wegvagen, heeft nooit bestaan. Er zijn begin 2011 wel twee echte uitbarstingen geweest in Egypte en Tunesië. Het ging om uitbarstingen van volkswoede omdat het sociaal onrecht ondraaglijk werd. Maar het ontbrak deze bewegingen aan een revolutionaire leiding en oriëntatie, zodat ze snel werden gerecupereerd door zogenaamd gematigde islamitische partijen: de Ennahda-partij in Tunesië en de Moslimbroederschap in Egypte.

Dit soort partijen heeft twee kenmerken gemeen: ze zijn voorstander van het kapitalisme en ze zijn uitgesproken anticommunistisch. Er kunnen wel tegenstellingen zijn met het imperialisme, vooral in landen waar de sjiieten de meerderheid vormen, zoals in Iran, Irak of Libanon. Maar waar de soennieten in de meerderheid zijn leent deze islamitische stroming zich stukje bij beetje voor een taak als stoottroepen van de VS en hun Europese bondgenoten, tegen de overblijvende seculiere regeringen in de Arabische wereld (Libië, Syrië, Algerije).

Dat begon al met de door de VS gesponsorde oorlog van de moedjahedin tegen de Sovjettroepen in Afghanistan, in de jaren 1980. Jongeren uit de hele Arabische wereld trokken naar Afghanistan waar ze door de VS werden ingezet in de strijd tegen het communisme. Na de terugtrekking van de Sovjettroepen in 1989 verspreidden veel van deze jongeren zich weer over de Arabische wereld, met een stevige oorlogservaring en een reactionaire ideologie op zak.

Ontgoocheld over het gebrek aan verdere steun van de VS om hun ideaal van een islamitische pan-Arabische staat te vestigen, met de sharia als grondwet, keerden sommige jihadisten zich tegen de VS, zoals met de aanslagen op de Twin Towers van New York, op 11 september 2001. Maar als het hen strategisch goed uitkwam aarzelde Washington niet om ook na 11 september weer bondgenootschappen te sluiten met deze radicale islamieten. En zo krijg je het fenomeen dat diezelfde radicale islamitische strijders nu eens ‘vrijheidsstrijders’ worden genoemd (in Bosnië, Tsjetsjenië, Libië en Syrië) en dan weer ‘terroristen’ (in Afghanistan, Pakistan en Afrika).

Een andere belangrijke beweging in de Arabische wereld, die zich baseert op de islam, is de Moslimbroederschap. Deze groep stichtte politieke partijen in vele Arabische landen maar vindt haar oorsprong in Egypte. Haar oorspronkelijke strategie was om oppositie te vormen tegen de pro-Westerse dictaturen in Egypte en Tunesië. Maar na enkele golven van zware repressie in de jaren 1980 kozen ze niet langer voor confrontatie met de staat. Ze concentreerden zich op het creëren van een sociaal netwerk en het verzamelen van rijkdom. Ze deden aan massawerk, gebruikten in feite ‘solidaristische’ werkmethodes, om een solidariteit over de klassen heen te creëren – zoals ook de AKP van Erdogan dat doet in Turkije. Met die machtsbasis konden de Moslimbroeders, van zodra de dictaturen van Moebarak (Egypte) en Ben Ali (Tunesië) door de spontane volkswoede en de volksbeweging werden omver geworpen, dan ook snel de zaak recupereren en de verkiezingen winnen.

Beide islamitische stromingen – de fundamentalistische jihadisten en de gematigde Moslimbroeders – verschillen in veel opzichten, maar hebben wel een gemeenschappelijke visie op de economie en op de inrichting van de maatschappij. Hun belangrijkste ideoloog is Sayid Qutb, die in de jaren 1930 en 1940 talrijke werken en artikels publiceerde over de sociale en politieke betekenis van de Koran. De man werd sterk beïnvloed door de rechts-katholieke Fransman Alexis Carrel, die tijdens de Tweede Wereldoorlog aansloot bij het collaboratieregime van Vichy en een sociaal darwinisme voorstond, inclusief eugenetica.

Het is dan ook niet te verwonderen dat er gelijkenissen zijn tussen de radicaal-islamitische ideologie en de extreemrechtse katholieke ideologie, die in de eerste helft van de vorige eeuw de godsdienst gebruikte als wapen tegen de bolsjewieken en de verdediging opnam van het kapitalisme, het kolonialisme en zelfs het nazisme. Bij beide ideologieën is de essentie : de verdediging van de ‘natuurlijke’ feodale orde tegen alles wat neigt naar een nieuwe, sociaal rechtvaardigere wereld. Wel heb je bij de islamitische stroming meer verschillende interpretaties, en ook een zekere weerstand tegen kolonialisme en imperialisme. Maar die verdwijnt snel naar de achtergrond wanneer het imperialisme hen steunt, omwille van zijn eigen agenda en in zijn eigen voordeel.

De alliantie tussen de VS, Saoedi-Arabië, Qatar en de Golfstaten

De oorlog tegen Libië had niets te maken met de uitbarstingen van spontane en massale volkswoede, zoals in Egypte en Tunesië. Het levensniveau in Libië was vele malen hoger dan dat van de gemiddelde Egyptenaar of Tunesiër. De zwaar overroepen dreiging van Kadhafi, tegen de opstandelingen in de stad Benghazi, volstond voor het Westen om een oorlog te beginnen, met massale bombardementen en uiteindelijk de lynchpartij waarbij Kadhafi op schandelijke wijze werd vermoord. Met de hulp van de meest reactionaire (plaatselijke) milities werd de Libische staat helemaal vernield. Een grote hoeveelheid wapens kwam en bleef in handen van die milities. We zien ze enkele maanden later opduiken in het noorden van Mali.

De oorlog tegen Libië werd voornamelijk gevoerd door Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS. Maar Washington hanteerde daarbij een andere strategie dan Parijs of Londen. De VS willen in Afrika vooral tussenkomen via derden. Het eengemaakt commando van het Amerikaanse leger in Afrika, de Africom, leidde de oorlog in Libië achter de schermen, terwijl vooral de Franse en Britse luchtmacht op de voorgrond traden met bombardementen. Daarnaast werkten de VS nauw samen met Saoedi-Arabië en Qatar.

Opvallend in de Libische oorlog was de houding van Al Jazeera, de tv-zender van de emir van Qatar. Al Jazeera was eerder bekend geraakt omwille van zijn kritische houding ten opzicht van de VS in de oorlogen in Irak en Afghanistan. Maar nu speelde diezelfde zender een belangrijke rol in de oorlogspropaganda tegen Kadhafi. Ze kozen partij voor de opstandelingen, die in het zog van de Navo-bombardementen, de belangrijkste steden in Libië veroverden.

De alliantie tussen de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië enerzijds en landen als Qatar, Saoedi-Arabië en de andere Golfstaten anderzijds is echter niet nieuw. Sinds de stijging van de olieprijzen in de jaren 1970 en 1980 verdienden deze landen enorme hoeveelheden geld en werden ze kredietverstrekkers voor de VS. Politiek was er eerder al de samenwerking geweest tussen Saoedi-Arabië en de VS, in de steun aan de moedjahedin in hun strijd tegen de Sovjetbezetting van Afghanistan.

Naar het einde van het vorige decennium werd deze alliantie nieuw leven ingeblazen, om front te vormen tegen Iran en zijn groeiende invloed in de regio. Voor de rijke soennitische landen, Saoedi-Arabië, Qatar en de Golfstaten, is een sterk Iran, met zijn sjiitische bondgenoten in het hele Midden-Oosten (Irak, Libanon) een bedreiging. Voor de VS is Iran een te grote brok, die het niet alleen aan kan. Washington heeft het natuurlijk niet op Iran gemunt omwille van zijn theocratisch regime, maar omdat het een belangrijke olieleverancier is voor China en India.

Maar Qatar en Saoedi-Arabië hebben ook hun eigen objectieven en ideologie, los van wat de VS willen. Het zijn staten die geleid worden door superrijke families, die hun rijk willen uitbreiden om zo hun rijkdom nog te vergroten. Zij dromen van één groot pan-islamitisch rijk waar de sharia de grondwet vervangt. Moderne staten zien zij als obstakels voor dit doel. In hun eigen land bestaat er zelfs geen grondwet, burgers hebben er geen rechten.

Van het Franse kolonialisme naar de Franse interventie in Mali

Het conflict in Mali heeft een brede context en voorgeschiedenis. Je hebt de jihadisten die vanuit Libië naar Noord-Mali trokken, bewapend door Qatar en Saoedi-Arabië. En je hebt de Franse, Belgische en andere Westerse en Afrikaanse militairen die in Mali tussenbeide zijn gekomen. Om die Franse tussenkomst correct te kaderen moeten we teruggaan naar het Franse kolonialisme in Mali.

Toen de Franse kolonialen Mali veroverden was het gebied onderdeel van een grote economische zone rond de Sahel. Karavanen trokken van de ene oasestad naar de andere, dwars door de woestijn. Binnen deze oorspronkelijke economie was er een goede verstandhouding tussen boeren en nomaden. De boeren hadden de nomaden nodig om goederen uit andere regio’s te kunnen kopen, en voor de nomaden waren de boeren hun cliënteel. De hele bevolking in deze regio was moslim.

Deze economische zone was in die tijd zeer welvarend. De website www.celebritynetworth.com plaatste vorig jaar een Malinees als eerste in het klassement van de 25 rijkste personen die ooit geleefd hebben. Het blad rekende de bezittingen om van koning Mansa Moussa I, die van 1312 tot 1337 heerste over een koninkrijk in het huidige Mali, rekening houdend met de hedendaagse goudprijs en de inflatie door de eeuwen heen. De man zou vandaag 400 miljard dollar waard zijn geweest. Er was ook een zeer rijk intellectueel leven: Timboektoe staat bekend als een van de eerste en belangrijkste intellectuele centra in de wereld. Op zijn hoogtepunt strekte het Malinese rijk zich uit tot aan de kust van Senegal. Het Arabisch was er de lingua franca.

Het Franse kolonialisme heeft heel dit systeem vernietigd. Om elk intellectueel potentieel te vernietigen, werden duizenden leraars vermoord. Het Mali dat we vandaag kennen heeft – zoals bijna alle Afrikaanse landen – kunstmatige grenzen. Het gebied behoorde tot wat men Frans Soedan noemde. In 1960 werd het onafhankelijk. Eerst als een federatie met Senegal, maar al na twee maand verliet Senegal de federatie. Het huidige Mali is het vierde grootste land van Afrika. Na de staatsgreep tegen de eerste nationalistische president van Mali, Modibo Keita (1960-1968), werd het land een neokoloniale staat.

Een dergelijke staat kan geen natie vormen, kan zich niet autonoom ontwikkelen. Het noorden, woestijngebied, werd aan zijn lot overgelaten, de bewoners gediscrimineerd. Er zijn etnische spanningen tussen de Toeareg (nomaden) en de andere bevolkingsgroepen. De grootscheepse handel van weleer is weggevallen. Wat blijft er over voor veel van de nomaden die met hun karavanen rondtrekken? Smokkel, ontvoeringen voor losgeld, mensenhandel,...

Een belangrijk aantal van deze Toeareg werd soldaat in Libië, in het leger van Kadhafi. Na hun terugkeer naar het noorden van Mali begonnen ze een oorlog voor de bevrijding van Noord-Mali en voor de onafhankelijkheid van wat zij Azawad noemen – een strijd die al enkele decennia afwisselend opflakkert en dan weer kalmeert. Op 24 januari 2012 veroverden ze de stad Aguelhok en vermoordden ze een honderdtal soldaten van het Malinese leger. De maanden nadien begonnen ze de andere steden in het noorden aan te vallen.

De massamoord in Aguelhok zorgde voor grote ontevredenheid in het leger en onder de families van de soldaten, want zij moesten, slecht bewapend, de goed bewapende en getrainde opstandelingen bestrijden. Op 22 maart 2012 werd de Malinese president Amadou Toumani Touré (‘ATT’ genoemd) door een staatsgreep van ontevreden militairen en lagere officieren onder leiding van Amadou Sanogo opzij gezet.

Voor de buurlanden van Mali, die na de omverwerping van de regering van de Ivoriaanse president Laurent Gbagbo in april 2011 stevig onder Franse invloed staan, was dit een excuus om een wapenembargo af te kondigen tegen het Malinese leger, dat zo geen schijn van kans had tegen de oprukkende opstandelingen. De maanden daarop nam het MNLA (Mouvement nationale de Libération de l'Azawad) heel het noorden in. Vervolgens werd het MNLA verjaagd door drie jihadistische groepen: Ansar Dine, Al Qaeda in de islamitische Maghreb (AQMI) en MUJAO. Groepen die – en daarmee is de cirkel rond – wapens en geld krijgen vanuit Qatar en Saoedi-Arabië.

Toen die jihadisten leken op te rukken naar de Malinese hoofdstad Bamako, zou interim-president Dioncounda Traoré de Franse president François Hollande (PS) gevraagd hebben om militair tussenbeide te komen. Daardoor werd een zorgvuldig en moeizaam uitgewerkt vredesplan van de VN en de Afrikaanse Unie feitelijk onmogelijk maakte.

Besluit

Hoe moet het nu verder? Een oplossing voor het conflict in Mali wordt doorkruist door drie grote problemen.

Ten eerste. Niemand laat de Malinezen toe om hun onderlinge geschillen en problemen zelf op te lossen. Buitenlandse inmenging maakt dit onmogelijk. De oorlog gaat de onderlinge spanningen in heel het land alleen maar groter maken. Als je een blekere huid hebt en dus als noorderling aanzien wordt, riskeer je vandaag niet meer op je gemak door de straten van Bamako te kunnen wandelen.

Ten tweede. De Afrikaanse staten zijn zeer zwak, als je ziet dat een land als Mali niet eens een goed georganiseerde rebellie van 500 jihadisten de baas kan. Ook de Afrikaanse Unie (AU) is zwak. De landen van de SADC (Southern African Development Community) proberen het tij te keren en stonden vooraan in het verzet van de AU tegen de oorlog in Libië. Maar er zijn nog teveel Afrikaanse staatshoofden die meer denken aan hun eigen belang en de orders die ze krijgen van hun ‘meesters’ in Europa en de VS dan aan de Afrikaanse eenheid.

Ten derde. Als Frankrijk, door de verdieping van de crisis van het wereldkapitalisme sinds 2008, geen nieuw Spanje, Italië of Griekenland wil worden, moet het zijn machtspositie in Françafrique en rond de Middellandse Zee wel verdedigen. Maar het ziet er niet goed uit voor Frankrijk, want de conflicten met de VS in Afrika nemen toe. In Ivoorkust trad in april 2011 het Franse leger op om Ouatarra aan de macht te brengen, maar in feite is dat in de eerste plaats een man van de VS. En de VS gaan gebruik maken van de oorlog in Mali om een basis voor hun drones te installeren, in buurland Niger. We staan met andere woorden voor een periode waarin Mali en de omliggende regio in eindeloze conflicten zullen terecht komen, zoals dat in het Somalië van de jaren 1990 gebeurde.

* Mohamed Hassan (mhassangudi at gmail.com) is een specialist van het Midden-Oosten en Afrika. Hij schreef samen met David Pestieau Irak oog in oog met de bezetting, uitgeverij EPO, 2004.


[1] Meer dan 1100 schoolkinderen en volwassenen werden vastgehouden door een groep van enkele tientallen gewapende terroristen. Bij de gijzeling kwamen 334 mensen om het leven, onder wie 186 kinderen. Er vielen honderden gewonden. Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gijzeling_in_Beslan.

Bron: Marxistische Studies nr. 101