Hoge hoeden en pantserplaten

Op de volgende pagina's publiceren we de volledige tekst van een vlugschrift, geschreven door A. den Doolaard in 1934. De titel ervan was "Hoge hoeden en pantserplaten". Helaas is de inhoud ervan ook nu nog steeds actueel. De vrije markt viert hoogtij en wapenverkopen brengen grote winst. Dezelfde, of soortgelijke oorlogsmakers hebben nog steeds de macht en we worden dagelijks belogen en gemanipuleerd door de media. De mensen zouden nu waarschijnlijk niet meer tegen het vuur inlopen zoals in Verdun, maar ze drukken nog wel op knoppen die anderen doden.
We moeten echter beseffen dat het maar een kleine groep is die de touwtjes in handen heeft. Daarom is het goed, voor jong en oud, om de feiten die Den Doolaard op zo'n geweldige manier duidelijk maakt, te lezen en uit te dragen.
Om deze reden hebben we na ruim 60 jaar opnieuw de tekst van Den Doolaard laten drukken. Het enige wat er in die tijd wel veranderd is, is de spelling. Daarom hebben we die aangepast.

Zijn tegenstander was de tegenwoordige president: Albert Lebrun. Wat kon Briand met zijn belachelijke olijftak tegen de stalen boksbeugel van Lebrun uitrichten? Deze boksbeugel was speciaal voor de verkiezingscampagne gesmeed in de staalfabrieken van Micheville. Zij worden beheerd door het machtige Comité des Forges, een kartel van staalfabrikanten en hoogovenbezitters. De "grote mannen" van deze trust zijn Schneider, die iedereen en De Wendel, die bijna niemand kent.
De heren Schneider en De Wendel zien

In een van de wachtkamers van het Volkenbondsgebouw te Genève hing een pleisterreliëf, voorstellende "De Vrede". Briand zelf had dit witte, lief-uitziende geval ingewijd. Het hing er jaren lang en niemand keek er natuurlijk naar. Toen de gedelegeerden na de laatste zomervakantie bijeenkwamen, was de Vrede verdwenen. Maar weer duurde het weken voor iemand het gemis opmerkte. Een nieuwsgierig Frans journalist ging er tijdens een taai debat over zware houwitsers toch eens naar informeren: het debat verveelde hem en hij had niets beters te doen.
Het bleek tenslotte dat de Vrede kapot was gevallen. Zo maar op een nacht uit zichzelf van de spijker gegleden. Een suppoost veegde 's morgens de scherven

bij elkaar en deponeerde ze in de Volkenbondsasbak.
Er is in Genève een lid van de Chinese delegatie, die aan spiritisme doet. Hij beweert dat Briand zelf, onzichtbaar door de gangen en kamers van het paleis warend, op een schone zomernacht van 't jaar 1933 de Vrede in arren moede van de spijker heeft gegooid.
Misschien heeft hij gelijk. Misschien was dit gebaar werkelijk een waarschuwing van Briand aan ons stervelingen, om eens uit onze ogen te kijken. Want Briand kende de duistere machten die ons regeren. Ze hebben ook hém met een smak laten vallen.
Briand werd omlaag gesmakt van de trappen, die omhoog voerden naar de Presidentszetel van de Franse republiek.

het liefst iemand met een gepantserde hoge hoed als president van de Franse

Mourir pour la patrie
C'est le sort le plus beau
Le plus digne d'envie..."

Frans soldatenlied.

republiek. Daarom mocht Briand geen president worden. Hij hield niet van gepantserde hoge hoeden.
De redactie van de Temps had Briand heilig beloofd hem te ondersteunen. Doch op het kritieke moment kwamen er gemene artikelen.
De Temps, een krant waarin men om de andere dag een artikel tegen de


maart 1996
De Anti Fascist
5

 

ontwapening kan lezen, is het eigendom van het Comité des Forges, de Franse staaltrust. De familieromans komen de laatste tijd weer in de mode. Om in dit genre te slagen zijn twee dingen nodig: een familieroman moet netjes wezen, en een beetje een snobistisch kantje hebben. Vandaar het succes van Galswothy's "Forsytes" en Thomas Mann's "Buddenbrooks", in hun soort trouwens meesterwerken. Vandaar ook, dat niemand zich erg interesseert voor de romans van werkelijk vooraanstaande families, zoals de De Wendels en de Schneiders, de Zaharoff's en de Cockerill's, de Krupp's en de Thyssen's. Het snobistische kantje ontbreekt anders niet. Integendeel! Neen, wat ontbreekt is slechts conditie nummer l, omtrent het nette. Het is zelfs nog erger. Deze familieromannetjes zouden, indien ze geschreven werden, ondanks de duur geparfumeerde vrouwen die er in voorkomen, naar bloed ruiken. En daar kan een nette etage-bewoner niet tegen.
Want de Schneiders en De Wendels en Thyssens trekken zich er niets van aan, wat trouwens logisch is. Want het enige waaraan het bloed zou kunnen kleven is aan hun geld. En geld stinkt niet. Ik moet er nog bij zeggen, dat de substantie, waarnaar de romannetjes eventueel zouden kunnen ruiken, varkens- nog koeienbloed is, maar doodgewoon minderwaardig mensenbloed.
Het bloed van Fritz Muller, John Smith, Orlando Capetti, Jean Durand, en verdere doodgewone snuiters, wier namen op een rijtje in het adresboek staan. Maar omdat ook zij vaders en moeders, zusjes en verloofden, vrouw en kinderen hebben, is het toch misschien verstandig iets te vertellen uit die bloedige boekjes, die eventueel geschreven zouden kunnen worden. Omdat u dan meteen de geschiedenis van de voorvorigen, de vorige en de komende oorlog beter begrijpen zult. U zult dan o.a. ook vernemen, waarom de oorlog vier jaar en drie maanden duurde, in plaats van vierentwintig weken.

Om te beginnen zullen we het briefje vertalen dat vrouw Muller te Maagdenburg in oktober 1917 thuis gestuurd kreeg. Het luidde: "Uw zoon Fritz is op 17 oktober omgekomen tijdens een heldhaftige aanval onzer troepen op het fort Douaumont bij Verdun. Hij stierf op het Veld van Eer, voor Keizer en Vaderland." Dat stond er. Toen ze 't las veegde vrouw Muller met een tip van haar schort haar ogen en haar ingevallen wangen af en begon toen echt te huilen. Dagen lang. En ook Fritz' vader liet dikwijls zijn pijp uitgaan en elkaar aankijken durfden ze niet meer. Wat ik niet durf, is me afvragen wat de oudjes gedaan zouden hebben indien ze geweten hadden wat er wel in het briefje had moeten staan. Eenvoudig dit: "De afgereten ledematen van uw eerstgeboren kind hangen op het prikkeldraad voor het Fort Douaumont bij Verdun. Dit prikkeldraad werd in 1916 via Zwitserland aan Frankrijk geleverd door de Maagdenburger Draht-und Kabelwerke. Wij betreuren dit incident ten zeerste, maar zaken zijn zaken."
Fritz' vader was opzichter bij de Draht- und Kabelwerke en zijn zoon hing dubbelgevouwen dood te bloeden op het Duitse prikkeldraad dat hij zelf had opgewikkeld.
Maar een klein Frans koopmannetje kreeg in diezelfde oktobermaand twee jaar vestingstraf en 2000 francs boete omdat hij, ook al via Zwitserland, voor 82 francs bidprentjes, zijden sjerpen en dergelijke artikelen naar Duitsland geleverd had, die verkocht werden aan ouders van kindertjes, die hun eerste communie gingen doen. Dit was een strafbaar feit: want de kindertjes zouden bij hun communie natuurlijk bidden dat de Duitse god de Duitse wapenen zou zegenen. En dat zou de Duitse god maar kracht geven tegen de Franse god! Bidt gerust verder, kindertjes. De Duitse en de Franse god zijn het al lang eens. Ze zijn op aarde neergedaald, net als de hoge bewoners van de Olympus soms deden en heten De Wendel, Schneider en Krupp. Goden vechten niet. Goden houden elkaar de hand boven 't hoofd, bedekken elkaar met de mantel der liefde en doen onder

die mantel voordelige zaakjes.
Nu wordt mijn artikel taai. Want nu moet ik u de geschiedenis van die almachtige families gaan vertellen. En daarvoor moeten we een eindje terug. Want anders kunt u niet begrijpen waarom de oorlog langer dan vier maanden duurde.
Laten we beginnen met Krupp. De firma is bekend genoeg. Maar niemand weet dat toen Bismarck hem kredieten weigerde, Krupp door de Franse bank Seillière op de been geholpen werd. Dezelfde bank zette Krupp's concurrent, Schneider, even later te Creusot in zijn stalen meubeltjes. In 1865, vlak vóór de Duits-Oostenrijkse oorlog, verkoopt Krupp, de Duitser, vrolijk een groot aantal kanonnen aan Oostenrijk. Ook later verkoopt hij zijn wapens links en rechts aan de meest-biedende. In 1913 wordt hij opeens bedreigd door een schandaal. Men ontdekt dat hij, samen met Hugenberg, in de Raad van Beheer van de Russische wapenfabriek Poutiloff zit, zij aan zij met zijn Franse vriend Schneider. Een oorlog zal voor de gewenste afleiding zorgen...
De familie Schneider komt uit het Saargebied. Ze begint een wapenfabriek in het dorp Creusot. In 1865 is Eugène Schneider voorzitter van de Kamer. Hij laat in de Kamer een wet op de vrije wapenexport aannemen en kan nu verder doen wat hij wil. Het spreekt vanzelf dat zijn beide zoons en opvolgers ook lid van de Kamer worden. De Schneider's zijn alle andere kanonnenkoningen de baas in de kunst om de politiek in dienst te stellen van hun zaak. Want zij kwamen op het geniale denkbeeld om de wapen-leveranties aan de vreemde mogendheden, wier financiën niet altijd goed in elkaar zaten, te laten betalen door de kleine Franse spaarder.
Rusland, Roemenië, Servië en Mexico krijgen Creusot-kanonnen, die betaald worden met het geld van Franse leningen. Schneider heft zijn wijsvinger op: het Franse parlement keurt de lening goed. Dan zijn middelvinger: het vreemde parlement doet desgelijks.


maart 1996
De Anti Fascist
6

 

Eenmaal, in 1913, heeft Schneider zijn middelvinger tweemaal moeten opheffen, en hij heeft er nog hartkloppingen van. Koning Ferdinand van Bulgarije bracht een bezoek aan Frankrijk en natuurlijk ook aan de fabrieken van Creusot. Hij bestelde een serie kanonnen en het huis Schneider zegde hem allervriendelijkst een Franse lening toe om ze te betalen.
Maar de kanonnen waren duur en de Bulgaarse Kamer protesteerde. Schneider trok, rustig in zijn werkkamer gezeten, even zijn wenkbrauwen op. De willige Franse regering begreep dit gebaar volkomen en diezelfde dag nog ging er een telegram naar Sofia dat de Bulgaarse Kamer tot gehoorzaamheid dwong. In het telegram stond:
"Geen kanonnen? Dan ook geen geld." En aldus geschiedde het dat de eerste Franse soldaten op het front van Saloniki aan stukken werden geschoten door Franse kanonnen, door de Franse spaarders betaald.
De beste vrienden van de Schneiders zijn de De Wendels, die oorspronkelijk Von Wendel heetten. Dit is geen los detail, maar een scherpe aanduiding. De Von Wendels symboliseren de Internationale der bewapening. Zij verlaten Duitsland, maar ze laten Duitsland niet los. Met de Schneiders gaan zij het grote ijzerbekken van Briey bij Thionville exploiteren, vlak bij het drielandenpunt Frankrijk-Duitsland-Luxemburg. Zij vestigen zich echter niet bij Thionville, waar het reeds naar de Rijn riekt, omdat zij gedreven worden door een vaag verlangen naar hun vaderland...
Staalkoningen zijn niet sentimenteel. Wanneer zij kort daarop ruiter-te-paard op de grens gaan zitten, beduidt dat zelfs geen halve terugkeer naar Duitsland. Het geheim is ondergronds: de ijzermijnen lopen onder de grens door. De Franse kant wordt geëxploiteerd door François

de Wendel, de Duitse kant door het Stahlwerkverbond, waaraan La Société des Petits-Fils van Francais de Wendel verbonden is. Het voorbeeld vindt navolging. Adolf Kirdof, de voorzitter van de grote Duitse Mij. Gelsenkirchen, is eveneens voorzitter van de Société de Pierremont te Briey. De Franse mijnen van Valleroy behoren voor de helft aan de Franse Dreux's, voor de andere helft aan de Duitse Roechling's. Het procédé is zo handig, dat het een export-artikel wordt. De bekende "nationale" wapenfabriek van Luik-Herstal telt onder haar commissarissen de Duitse bankiers Oppenheim en Loew. Maar het schoonste voorbeeld zijn de ijzermijnen van Ouenza in Algerije. De voornaamste aandeelhouders zijn Schneider, Gelsenkirchen, Krupp, de Belg Cockerill, de Duitse Keizer, plus 5 Franse en 4 Engelse firma's. Tegelijkertijd verenigt de grootste trust van allen, de Hawey United Steel Co, Krupp, Schneider-Creusot, de Amerikaanse Bethlehem Steel, Armstrong en Vickers-Maxim, de zaak van Basil Zaharoff, de obscure Levantijn, in zijn jeugd te Londen wegens diefstal veroordeeld, en die naderhand zijn fortuin maakt door tijdens de Japans-Russische oorlog mitrailleurs aan de tsaar te verkopen en, samen met Krupp, kanonnen aan de Mikado... Ziehier de acteurs van de tragische film, die gedraaid zal worden. Thans over hun vernuftig scenario, dat enige miljoenen figuranten de dood injoeg.
Laten we naar Lotharingen terugkeren, waar bijna de gehele Franse staalindustrie zich concentreert; 90 % van al het Franse ijzererts komt uit de mijnen van Briey. De Franse generale staf schijnt er nooit over nagedacht te hebben dat, in geval van oorlog,
Frankrijk wel eens plotseling al deze mijnen met haar hoogovens en fabrieken zou kunnen verliezen. De enige die er wel

over nagedacht hebben zijn de Schneiders, die met hun fabrieken diep in 't binnenland zitten... Overigens maken ook de De Wendels en de Dreux's zich niet ongerust. François de Wendel is lid van de Chambre des Députés; een zijner familieleden, Herr von Wendel, is lid van de Rijksdag. De Franse staalkoningen laten de penetratie van het Duitse kapitaal in de Lotharingse industrie rustig toe. Zij moeten wel. Want de Franse industrie komt elk jaar 20 miljoen ton kolen te kort. Raadselachtig genoeg, maar waar. Dit tekort wordt natuurlijk gedekt door het Duitse Kohlensyndikat van de Ruhr. De prijzen zijn hoog in Duitsland, maar Frankrijk krijgt de kolen goedkoop. Alleen niet te veel! Want dan zou er te veel goedkoop Frans ijzererts, dat weer voor een groot deel naar Duitsland wordt uitgevoerd; en Krupp wil zijn prijzen natuurlijk niet laten zakken. In elk land plunderen de nationale syndicaten rustig de schatkist. Er is geen concurrentie meer; het staal-syndicaat wijst eenvoudig de firma aan die op de legerleveranties in zal schrijven, en een deel van de winst gaat in de generale kas.
Alles wat zich met staal en kolen bemoeit, concentreert zich te Parijs in het voormalig college der Jezuïeten in de Rue de Madrid, de zetel van het Comité des Forges. De dynamiet-fabricage over de hele wereld zit in één trust. Dan komt ook de chemische internationale tot stand. Alle kunst-mestfabrieken waren (en zijn) fabrieken van ontplofbare stoffen. En ook hier vindt het kartel-systeem met zijn generale kas toepassing.
Uit deze nationale generale kassen worden internationale generale kassen gevormd. En hieruit worden de generaals der generale staven betaald, die voor de bestellingen moeten zorgen. En de journalisten die per kolom oorlogspsychose afleveren.


maart 1996
De Anti Fascist
7

 

De pantser-trusts, dynamiet-kartels, en kruit-syndicaten maken zich meester van de pers en de publieke opinie. Liebknecht verklaart in de Rijksdag: "Krupp en andere staalfabrikanten kopen Duitse bladen om tot de oorlog op te hitsen en er nieuwe militaire wetten door te krijgen. Bovendien kopen zij Franse kranten om, want de verspreiding van Franse alarmerende geruchten in het buitenland heeft automatisch een toeneming van de Duits bewapening ten gevolge..."
In Frankrijk is de toestand precies zo. André Tardieu was vóór de oorlog als politiek redacteur van de Temps enkel een bazuin engel van Schneider en De Wendel.

1911. Zowel de staalkoningen als de mannen van de chemische internationale hebben zorgvuldig hun voorbereidingen getroffen, opdat de oorlog, indien deze uitbreekt, vooral van lange duur zal zijn.

Ze bekijken de bevolkingsstatistieken en besluiten dat er genoeg Fritzen, Jean's, John's en Borissen zijn voor drie jaar oorlog. Kanonnenvlees is er genoeg. Geestdrift ook. Wapens ook. Daarom zijn er op de directeursvergaderingen slechts twee punten aan de orde: de kwestie der grondstoffen en het in stand houden van de internationale verbindingen. De Duitse soldaat is dapper en het Duitse veldtochtplan van Schlieffen schijnt volmaakt. Maar, indien het mislukt, zal Duitsland gauw gebrek aan grondstoffen krijgen. Het heeft kolen genoeg, maar geen nikkel en ijzererts; geen silicium en geen cyanamide voor ontplofbare stoffen. Ook te weinig elektrische stroom voor de vervaardiging van het aluminium waaruit de geraamten van de Zeppelins ontstaan. Daar is raad op. Ten eerste ontdekken de directeuren een geweldige truc, die ze zorgvuldig geheim houden. Gunt u mij een ogenblik het helse genoegen mij ook

directeur te voelen: ik houd deze truc ook even in petto tot de volgende pagina. De tweede truc was het vormen van voorraden in Duitsland... door Franse maatschappijen.
Er bestond een Franse maatschappij Le Nickel, gefinancierd door de bank Rotschild Frères. Zij ging een verbintenis aan met de Metallgesellschaft te Frankfurt, waarvan de Duitse Keizer, Krupp en Dollinger de voornaamste aandeelhouders waren. Van 1910 tot 1914 gaat al het Franse erts naar Duitsland. De opbrengst is minstens 20.000 ton, waarvan geen kilo verkocht wordt.
Er bestond een Franse maatschappij Penarroya, die loodmijnen in Spanje exploiteerde. Onder de administrateurs komt natuurlijk een De Wendel voor. Van 1910-1914 gaat haar hele produktie naar de Metallgesellschaft te Frankfurt. Er wordt niets van verkocht. Na het vormen

der voorraden, het verzekeren der verbindingen via de neutrale landen. De chemische internationale sticht twee Zwitserse maatschappijen, de Lonza en de Hafslund. Onder de administrateurs bevinden zich mannetjes van Siemens Schuckert Berlijn en de Metallgesellschaft Frankfurt. De grote man van Franse zijde is Giraud-Jordan, voorzitter van het verkoopbureau van het internationale ferro-silicium (kiezelijzer)-syndicaat. Dit syndicaat is zeer toevallig in hetzelfde gebouw gevestigd als het almachtige Franse Comité des Forges.
Juni 1914. Alles is klaar. Duitsland heeft grote voorraden, die via Zwitserland aangevuld kunnen worden. De oorlog kan beginnen.
Juli 1914. De oude Frans Jozef, belogen door zijn generaals die hem vertellen dat de Serviërs Hongarije binnengevallen zijn, tekent zuchtend de mobilisatie-orders. Een paar uur later wordt het bericht tegengesproken. Te laat: aan alle gemeentehuizen hangen reeds de plakkaten. In alle hoofdsteden wapperen de vlaggen. De arbeiders, boeren en burgers kruipen geestdriftig in hun uniformen. Zij leggen hun persoonlijkheid af en worden van mensen nummers. Hun uniform is niet enkel een in serie


maart 1996
De Anti Fascist
8

 

vervaardigd kledingstuk; het is ook een dekmantel voor alle daden waarvoor elke boer, burger en arbeider zich in het gewone, dagelijkse leven niet alleen schamen zou, maar ook in de gevangenis zou geraken.
Maar voorlopig is de soldaat nog enthousiast. Hij is door een jarenlange leugencampagne in de dagbladen der kanonnenkoningen op zijn taak voorbereid.
Augustus 1914. Het Duitse plan-Schlieffen (de overvleugeling van het Franse leger aan de zeezijde ) wordt naar de letter uitgevoerd. De Oorlogssoldaten begrijpen niets van dit plan. Zij trekken vooruit, achteruit, vallen aan en wijken terug op bevel. Fritz Muller, die bij Maubeuge valt, is er zich vaag van bewust, dat hij sterft op het "Veld van Eer'. net als Pierre Dubois, die tien meter verder zijn laatste adem uitrochelt over het "Champ d’Honneur". Zij zijn de pionnen van het schaakspel-Schlieffen. Maar Jean Durand, die bij de langzame terugtocht van de Franse troepen in Lotharingen een granaatsplinter door zijn kaken krijgt, die meteen zijn gezichtsvermogen vernietigt, weet niet dat hij het plan-Schneider-Krupp-De Wendel uitvoert. En kapitein Pelouze, met zijn geamputeerde linkerbeen, heeft de heilige overtuiging dat hij de rechterflank van het bekken van Briey ontruimt, omdat de Duitse overmacht verpletterend is, zo verpletterend, dat reeds 5 Augustus 1914 de laatste Franse soldaat het Lotharingse ijzergebied verlaat. Jean Durand is een gelukkig mens. Hij is wel blind, maar hij kan tenminste de bordjes met "Streng verboden toegang" niet zien die op verzoek van Herr von Wendel, lid van de Rijksdag, aan de hekken van sommige mijnen en hoogovens worden opgehangen. Het zijn toevallig de mijnen en hoogovens, die toebehoren aan zijn neef Frangois de Wendel, Frans kamerlid en voorzitter van het almachtige Comité des Forges.

Ziedaar het prettige plannetje der staalkoningen, dat ik voor u in petto had. Een pagina-lang heb ik het vol walging bij mij gehouden. Twintig minuten heb ik mij staal-koning en ertshandelaar gevoeld. Toen keek ik in de spiegel en vond mezelf zo verachtelijk, dat ik het neerschreef. De Wendels, Roechlings, Dreux's en Krupps hebben dit plan jarenlang met zich meegedragen, het daarna, met behulp van het geld dat stom is, en recht maakt wat krom is, rustig laten uitvoeren, en toen nog jarenlang rustig voor zich gehouden.
Het sleutelplan van de oorlog!
Maubeuge, Verdun, de Marne, Callipoli, de IJzer, de Somme - dit zijn namen die iedereen kent, namen waarachter honderdduizenden wit-houten kruisjes staan. Yperen, Paesschendaele, Przemysl, het hadden vergeten uithoeken kunnen blijven. Want indien de Franse troepen in Lotharingen is augustus 1914 vijftien kilometer vooruit waren getrokken, in plaats van achteruit, zou de oorlog in zes maanden uit zijn geweest. Geld is de zenuw van de oorlog, maar ruw ijzer is de ruggegraat. Aan bloedarmoede lijdende kindertjes drinken ijzerpreparaten. Zonder het bekken van Briey en de hoogovens der Franse De Wendels die op hoog bevel en met voorbedachte rade rustig door de Franse troepen werden vrijgegeven, was de Duitse aanval na een halfjaar aan bloedarmoede bezweken. (Leipziger Nachrichten, okt. 1917.)
Ik zeg: met voorbedachte rade. Er zijn in Frankrijk nog van die ouwe generaals met witte trillende snorren, oude ijzervreters die meer van vechten dan van knoeien houden. Een van deze dapperen heet generaal Verraux, in 1914 commandant van de sector Briey. Hij kwam in 1919 rustig met zijn consigne voor de draad, gedateerd januari 1914. Dit consigne luidde: "Bij het uitbreken der vijandelijkheden trekt uw divisie, de 41ste, 15 kilometer terug."
Dit papiertje werd ongetwijfeld met de schrijfmachine getikt, maar het werd gedicteerd op het Comité des Forges, na

een vredige, gezellige bijeenkomst der staalmagnaten. Het eerste gevolg was, dat moeder Durand en mevrouw Pelouze allebei een invalide thuis kregen, de een zonder ogen, de ander zonder been. En dan vliegen de nullen. Twee wordt: 20, 200, 2000, 20.000, 200.000.
Maar deze slachtoffers vielen niet rond de hoogovens en mijnen van Lotharingen, waar negentiende deel het Franse staal vandaan kwam en die zonder slag of stoot van de Franse neef naar de Duitse overgingen; ze vielen bij Verdun, dat zonder het gekonkel van Krupp en het Comité des Forges een onbekend vestingstadje zou zijn gebleven.
De nullen vliegen. De gepubliceerde winst van Krupp bedraagt tijdens het eerste oorlogsjaar: 86 miljoen mark, in het derde reeds 140 miljoen.
De winsten van de kruitfabriek Rottweil springen van 4,5 miljoen in 1913 omhoog tot 14,5 miljoen in 1918.
Hotchkiss houdt op mitrailleurs in 1913 ƒ 86.000 over, in 1918 ƒ 1.500.000.
De staalfabrieken van Firminy winnen ƒ 300.000 in 1915 en ƒ 2.000.000 in 1918. De Amerikaanse Steeltrust wint in 1918 333 miljoen dollar. De nullen vliegen. Het graf in. Zij heten Durand en Smith, Petersen en Petrov. Voor elk kanon van Vickers, Schneider en Krupp één compagnie wit-houten kruisjes, voor elke wagon shrapnels (granaatkartetsen), een trein met jammerende gekwetsten. De nullen zijn goedkoop. De staat (en natuurlijk niet de kanonnen-koning) betaalt een klein weduwe- wezen- en invalidenpensioentje.
Volgens berekeningen van vernuftige Amerikaanse statistici kwam het kanonnenvlees tijdens de oorlog niet duurder dan een kwartje per pond, wanneer men de gemiddelde militair op 70 kg rekent. Maar stalen kanonnen kosten minstens 10 gulden per kilogram. De nullen vliegen. De gezamenlijke schuld der beschaafde staten stijgt tot van 20 miljard in 1914 tot 150 miljard in


maart 1996
De Anti Fascist
9

 

1918. Laten we tot de oorlog terugkeren, want ik weet er nog veel meer van te verhalen. Ik zou u anders met die rits van hoge dividenden, die de 125 % die de Mainzer ijzergieterij in 1915 aan de aandeelhouders uitkeerde, in deze crisistijd maar jaloers maken...
1914. Er wordt gevochten. De Duitsers bezetten heel België. Het Comité des Forges, de almachtige Franse staaltrust, bezet ook diverse strategische posities. Het aankoopbureau van het ministerie van Oorlog komt natuurlijk onder leiding van de heer H. de Wendel. De man die de bonnetjes controleert is een voormalig directeur van een der banken der Wendel-groep. De controleur der bestellingen voor Engeland is generaal De Panouze, een zwager der heren De Wendel. Wanneer de prijzen opeens een beetje bar stijgen en een hele Kamerfractie protesteert, wordt een der heren aangewezen om rapport uit te brengen over de frauduleuze winsten der oorlogsleveranciers. Dit lid heet François de Wendel...
Oktober 1914. Een Franse torpedojager houdt op zee een Noorse driemaster aan met een lading van 2500 ton nikkel, gewonnen in de Franse kolonie Nieuw-Caledonië en bestemd voor Krupp, Hamburg. De boot wordt naar Brest opgebracht om verbeurd verklaard te worden. Maar het nikkel behoort aan de Rothschilds, en de Franse minister van Marine geeft order de driemaster vrij te laten, die vrolijk met het Franse nikkel naar Hamburg doorvaart.
Februari 1915. De Zwitserse Chemische Mij. Lonza koopt in Frankrijk 300.000 kg cyanamide, die plotseling voor kunstmest doorgaat, hoewel alle ingewijden weten dat deze cyanamide bestemd is voor de fabrieken van ontplofbare stoffen te Neurenberg. Deze cyanamide wordt gevolgd door grote hoeveelheden Franse bauxiet. Dit bauxiet wordt met behulp van elektrische stroom, door de Frans-Duitse-Zwitserse Hafslund aan Duitsland geleverd, in aluminium omgetoverd, waarvan de karkassen der Zeppelins worden vervaardigd, welke straks Parijs en Londen zullen bombarderen. Uit "erkentelijkheid" voor deze hulp levert

Duitsland via de Lonza en Hafslund elektromagneten aan Frankrijk. Op de directeuren vergadering van de Lonza en Hafslund in een Zwitsers hotel zitten Franse punt-baardjes en Duitse kaalschedels vredig naast elkaar aan de groene tafel.
Een bloemenhandelaar aan de Franse Rivièra, die parfum aan Johann Maria Farina te Keulen heeft geleverd, wordt tot levenslange verbanning naar Guyana veroordeeld.
De blokkade is in volle gang: de invoer in Zweden van cyanamide, grondstof voor ontplofbare stoffen uit de Franse en Engelse koloniën, stijgt van 3000 ton in 1914 tot 16.000 ton in 1915. Als deze ontplofbare stoffen de Oostzee oversteken, zijn de kust-patrouilles plotseling blind. Tien Franse Poilus en zeven Duitse Feldgrauen worden doodgeschoten, omdat ze van uitputting op wacht zijn ingeslapen. Generaal Sarrail, die aan Poincaré voorstelt het ijzerbekken van Briey te nemen, dat door de Franse troepen op hoog bevel zonder strijd is ontruimd, valt in ongenade. Hoewel de mijnen der "de" en "von" Wendel onder het vuur der Franse kanonnen liggen, krijgt de artillerie bevel een beetje dichterbij te schieten. Een paar Kamerleden dringen er op aan Briey aan te vallen. De officier, die hun rapport aan het Franse hoofdkwartier moet doorgeven, is lid van het Comité des Forges. Het rapport verdwaalt. In plaats van in Lotharingen vallen de Fransen en Engelsen aan de Somme aan: honderdduizenden weduwen, tien wagons ongebluste kalk voor massagraven.
1916. De Carney kruitfabriek declareert een winst van 200.000 gulden per dag. Het Franse Kamerlid Flandin eist dat Briey eindelijk gebombardeerd zal worden. De verbinding tussen het kabinet in Parijs en de generale staf wordt waargenomen door kapitein François Marsal, door wiens bemiddeling de orders verdwijnen. Briey wordt niet gebombardeerd.
Kapitein François Marsal wordt wegens zijn aan het vaderland bewezen diensten in 1919 tot administrateur van de Banque de L'Union Parisienne benoemd. Zijn mede-administrateurs zijn o.a. Eugène Schneider

en Hubert de Wendel.
1917. Verdun kost een paar honderdduizend doden. Drie jonge Franse vliegeniers, die op eigen houtje het bekken van Briey bombarderen, krijgen vestingstraf. De man, die de bombardementsorders uitgeeft en nauwkeurig de plaatsen aanduidt waar geen "ijzeren vuiltjes" mogen vallen, is luitenant Lejeune, een civiel ingenieur bij het Wendel-concern.
De blokkade wordt verscherpt. De invoer van kiezelijzer uit Noorwegen naar Duitsland stijgt met 50%. Terwijl men op de havenkaden van Gothenburg de nek breekt over de stapels kisten vol koffiebonen die op verscheping naar Duitsland wachten, drinken de Zweden zelf apenootjes-koffie. De heer Morgan, die 11% van het gezamenlijke wereldkapitaal in zijn macht heeft, vindt dat het er met zijn miljarden-leningen aan de geallieerden minder goed voor begint te staan. Hij trekt aan een van zijn beroemde zwarte Havana's (een teken dat hij diep nadenkt) en drukt dan op een knopje.
De Verenigde Staten verklaren Duitsland de oorlog, onder de leuze "to make the world safe for democracy". Iedereen die in de VS achter de schermen kijkt en protesteert is plotseling een
"G.......Hun".
De eerste Amerikanen maken een buiteling aan de Somme. Blank, bruin en zwart krioelt door elkaar in de loopgraven, maar hun aller bloed is even rood en droevig. Allen hebben hetzelfde ongedierte, dezelfde tyfus, dezelfde dysenterie.
Aan weerskanten van de honderden kilometers lange streep, die de magnaten van de oorlogsindustrie met bloedige vingers over de kaart getrokken hebben, en die "front" heet, sterft de jeugd uit vijf werelddelen.
Boeren schieten akkers kapot, architecten bombarderen kerken aan flarden, miljoenen werklieden vernielen wat miljoenen anderen hebben opgebouwd. Na drie jaar modder, honger, ongedierte en bloed beginnen de soldaten zich af te vragen "waarom?" Er zijn er, die


maart 1996
De Anti Fascist
10

 

het hardop doen. Ze worden voor het front van de troep gefusilleerd. De treinen met ijzererts, die binnen het bereik der Franse houwitsers geladen worden, rollen veilig Duitsland binnen. Als Prins Sixtus van Bourbon Parma vredesonderhandelingen poogt aan te knopen, verklaart Sir Basil Zaharoff zich vanuit zijn gerieflijke draaistoel voor de oorlog tot het bittere einde. En daarmee is de zaak voor de paar miljoen Tommies, die tot in hun nek in de modder zitten, beslist.
11 November 1918. De witte vlaggen waaien. De kanonnen zwijgen. Duizenden soldaten aan weerskanten van de bloedrode streep klimmen juichend uit hun kazematten vol ongedierte. Pierre Durand en Wilhelm Muller omarmen elkaar tussen de granaattrechters, waarin de november-regen neerdrenst; maar in hun ogen, die dof stonden van de slaap en zenuwuitputting, brandt opeens de heldere vlam van de mensenliefde, want zij leven in de overtuiging dat het uniform nu voorgoed in de nafthaline opgeborgen kan worden.
In de stukgeschoten dennebomen zien zij nu al de kaarsjes staan van een nieuwe Kerstmis, die de eerste zal worden van een reeks zorgeloze feesten, tot hun dood toe. Zij huilen in hun stoppelbaarden van vreugde en verdriet - verdriet om hun broers die vielen onder Mauserkogels en Creusotgranaten. Maar ineens schetteren de trompetten; "Aantreden!" De voormalige vijanden mogen zich niet verbroederen. De beslijkte soldaten uit beide kampen waren één van kleur, één van hart, één in helle vreugde. Maar als het commando klinkt laten ze elkander los. Er zijn geen broeders meer; er zijn enkel overwonnenen en overwinnaars.
Het slik wordt van de uniformen gekrabd en de reeksen gore vodden, die allemaal eender waren, symbool van eender lijden, veranderen in droevig grijs-groen en uitdagend hel-blauw: overwonnenen en overwinnaars.
1918-1919. De vredesconferentie. Duitsland wordt ontwapend; 473 miljoen patronen en honderdduizend mitrailleurs worden uitgeleverd; 450 Duitse oorlogsschepen, groot en klein door elkaar, zinken omlaag naar het rijk van kapitein Nemo. Kapiteins en bootslui slikken hun tranen weg. Maar Krupp

glimlacht. De winst op dit staal is binnen en het verdrag van Versailles staat Duitsland zes nieuwe kruisers toe.
De Volkerenbond wordt opgericht. In artikel 8 van het Pact staat te lezen dat er stappen zullen worden ondernomen om de noodlottige gevolgen van de aanmaak van wapenen en ammunitie door particulieren voortaan te voorkomen. En in de memorie van antwoord op de vredesvoorwaarden geven de geallieerden Duitsland de plechtige verzekering, dat de ontwapening van Duitsland de eerste stap zal zijn voor een krachtige algemene ontwapening. Het staat met vette letters in de krant; en als Moeder Dubois en Vader Muller het lezen, glimlachen ze door hun tranen heen: hun zonen zijn niet helemaal tevergeefs gestorven.
De leden van de Franse staal-trust, met de grote man van het Comité des Forbes, Schneider, vooraan, glimlachen ook. Niet alleen krijgen ze de ijzermijnen van Lotharingen, het beroemde bekken van Briey, intact terug, maar ze mogen ook een bod doen op de Duitse mijnen, die net over de voormalige grens lagen. Deze fabrieken en mijnen, waarvan de waarde vóór de oorlog op 8 miljard francs (papier) geschat werd, vallen voor 180 miljoen in handen van het Comité des Forges. De Poilu, die ervoor gevochten had, kreeg niets. De verkoop geschiedde ten voordele van de Franse natie. Maar de zoon van Théodore Laurent, vice-president van het Comité des Forges, was directeur van de Franse liquidatie-dienst; en het hemd is nader dan de rok...
Vier jaar later had Laurent nog slechts 2 % van zijn koopje aan de staat voldaan...
Toen kwamen er luidruchtige rapporten van een Kamercommissie, die, gelijk in Frankrijk altijd geschiedt, zonder gerucht de doofpot ingingen.
Dit is het eerste schone feit uit de geschiedenis van de vrede. Het tweede was de Roerbezetting. De Franse hoogovens kunnen nu eenmaal niet buiten de voortreffelijke cokes van de Roer. Toen men het over de prijs niet eens kon worden, kwam er herrie; de Duitse ijzergieterijen zegden hun contracten met de Franse ijzermijnen op en zochten verbinding met Zweden. De heer Poincaré, die in Frankrijk de bijnaam heeft van "de onomkoopbare", gaf bevel om het

Roergebied te bezetten; en het Comité des Forges had weer goedkope cokes. De Roerbezetting heeft ontzaglijk veel kwaad bloed gezet. Maar kwaad bloed is juist een artikel, waarvan de kanonnenkoningen duizenden liters nodig hebben. De aanmaak is uiterst gemakkelijk. De voornaamste ingrediënten zijn, vreemd genoeg, drukinkt en krantenpapier. In de koopsom dezer ingrediënten zijn natuurlijk de onontbeerlijke leugenaars op maandsalaris, de journalisten, inbegrepen.
Kort na de Roerbezetting kreeg Sir Basil Zaharoff het grootkruis van het Legioen van Eer. De secretaris van het Comité des Forges, Pinot, schreef een roerend werkje: "Le Comité des Forbes au service de la Nation". En toen begon de strijd tegen de ontwapening.
De eersten, die de strijd aanbonden tegen het Verdrag van Versailles, zijn niet de Duitsers geweest, maar het Comité des Forges, Vickers en de Bethlehem Steel Corp. Ontwapening betekende kwijnende dividenden. Daarom ten strijde tegen de ontwapening! De boeman was gauw gevonden: het bolsjewistisch gevaar! Na de omverwerping der Hunnen werden de horden van Dzjenghis-Khan onderuit de doofpot gehaald: tot 1925 hebben de boeren en burgers in Frankrijk, Engeland, Tsjecho-Slowakije, Polen, Joegoslavië dagelijks kunnen lezen dat het bolsjewistische beest met het mes tussen de tanden gereed stond de vredelievende West-Europeër te bespringen. Tegelijkertijd werd hij echter, dom genoeg, voorgesteld als een arme uitgehongerde boer. Toen het bolsjewistische beest echter rustig thuis bleef en er in diverse parlementen weer zwakke stemmen opgingen, die om ontwapening vroegen, voeren de staalkoningen boeman No. l weer ten tonele: de Hun! Ondanks de verklaring van maarschalk Foch, dat hij er voor instond dat op 31 januari 1919 Duitsland volkomen ontwapend was, begon kort daarop de perscampagne: "De Hun roert zijn duivelsstaart! De Hun heeft een ijzeren klauw onder zijn fluwelen handschoen!" Mijn buurman Forgeron is een raar heer. Hij houdt blijkbaar van jagen en daarom gaat hij dagelijks uit

maart 1996
De Anti Fascist
11

 

wandelen met een draagbaar machinegeweer op de rug, terwijl zijn sportjasje bol staat van de revolvers. Ik, Karel Schmidt, heb wel grote vuisten en een grote mond, doch geen wapenpas, want toen ik indertijd bij een ruzie Forgeron de eerste rake klap gegeven had, zijn alle buren mij tenslotte op het lijf gevallen en nu ben ik vergunning en wapenen kwijt. Maar wanneer Forgeron mij tegenkomt, en dat gebeurt elke dag, dan brult hij me toe: "Schurk! Dat klapperpistool van jou is een echt pistool! En ook heb je stiekem een boksbeugel in je broekzak!" En meteen zet hij dan onzacht het machinegeweer op mijn tenen. Dat is treiteren, want wij hebben, buren onder elkaar, afgesproken allemaal onze wapens weg te doen. Maar toen Forgeron dat niet deed, is dat geschreeuw over mijn zogenaamde boksbeugel een obsessie voor mij geworden. En ik heb er stiekem een gekocht. En raad eens bij wie? Bij dezelfde zaak als Durand...
Die zaak heet Schneider. De etablissementen van Schneider & Co. hebben na de oorlog een akelige uitbreiding ondergaan. Het Schneider Concern heeft zich als een duistere inktvis op het zieltogende Europa vastgezogen. Schneider is machtiger dan Krupp in 1914. Door middel van de banken Union Parisienne en Crédit Lyonnais, die de grote holding maatschappij Union Européenne Financière et Industrielle oprichten, beheerst hij niet alleen driekwart van Tsjecho-Slowakije, maar ook, via de Hongaarse Kredietbank, bijkans geheel Hongarije. Toen de Hongaarse kredieten bevroren waren, zodat Schneider's leveranties niet betaald konden worden, schoot minister Flandin tijdens de vakantie de nodige miljoenen aan Hongarije voor. Eugène Schneider is vice-president van de Raad van Beheer van de geweldige Skodafabrieken in Tsjecho-Slowakije. Er verdwalen wel eens zendingen vanuit Tsjecho-Slowakije naar Duitsland.
1934. Wanneer de damp uit de punchbowl opstijgt, zijn alle prosit roepende optimisten het er over eens, dat wij er vergeleken bij twintig jaar geleden, toch wel wat op vooruit zijn gegaan.

Wanneer ik prettig punch drink denk ik er ook zo over. Maar wanneer het glas leeg is, hoor je heel in de verte een zwak gehamer. En aan de horizon zie je helle vlammetjes, klein als dwaallichtjes. Ik trek er op uit met microfoon en superpanfilm en met behulp van luidspreker en projectie-apparaat breng ik ze vlak bij u: de laaiende hoogovens, de razende revolverboren, de ratelende pantserplaten. En daar tussendoor enige stukjes stomme film. Eerst een close-up in een dikbeloperde gang. Hoge hoeden hangen in een somber, plechtig zwijgen aan een rek, naast een gecapitonneerde deur, waarboven een rood lampje brandt, ten teken dat niemand naar binnen mag. Binnen zitten de directeuren van de Frans-Duitse Dreux-Roechling-groep, die reeds vóór 1914 zulke goede zaakjes deden. Ze hebben elkaar in 1918 dadelijk weer teruggevonden, vier jaar ouder en vier jaar slimmer. Ze hebben net een verkoopmaatschappij opgericht, de Losar, die ten behoeve van de nieuwe onneembare vestinggordel aan de Franse oostgrens veel staal levert. Wanneer de winst op deze transactie verdeeld wordt, gaat de helft in de richting van het Comité des Forges, de andere helft naar Roechling, die een der steunpilaren van Hitler was.
Weer een rij hoge hoeden. Een directeurenvergadering van de machtige maatschappij met de onschuldige naam I.G. Farben. Daar zitten, broederlijk bijeen, vertegenwoordigers van de Bri-tishAfrican Explosives Co., van Nobel & Co. en van de Lonza, een Zwitserse Mij., die tijdens de oorlog Frankrijk aan Duitse magneten en Duitsland aan Frans aluminium hielp.
De laatste rij hoge hoeden: de directeuren van het Comité des Forges vergaderen. Er worden kranten gekocht: de Temps, het machtige weekblad Gringoire, de Etoile Belge en Indépendance Belge. Morgen schrijven twintig Europese journalisten weer tegen de ontwapening. Ook de Rothschilds, die in nikkel doen, zijn van de partij. Na een bespreking tussen de Franse en Duitse Rothschilds worden er in Frankrijk plotseling nieuwe nikkelen 10 franc-stukken en in Duitsland nieuwe nikkelen l mark-stukken aangemaakt. De bijbedoeling is, dat vadertje staat overal gelegenheid krijgt ongemerkt grote

nikkelvoorraden te vormen. Moderne kanonnen bevatten veel nikkel.
Onderwijl besluit de Franse generale staf tot grote lucht-manoeuvres. Doel: het stadje Creusot, dat met man en muis aan Schneider toebehoort. Het is negen uur op een schone zomeravond, maar moeder Durand, die in haar voortuintje een kous zit te breien, moet haar boeltje oppakken, naar binnen en naar bed; en vader Dubois klopt vlug zijn pijp uit, want de politie komt er aan te pas. Dit worden echte manoeuvres boven een stadje waar geen luciferskop meer glimt. Maar tegen de duistere hemel staat laaiend een hoogoven, die niet gedoofd is, ondanks de manoeuvres. Daar laat Eugène Schneider een spoedbestelling uitvoeren: mitrailleurs voor het fascistische Italië. De ramen, luiken en deuren in het Creusot-dorp zijn dicht. Niemand mag naar buiten. Alleen één Franse vlam laait ten hemel en viert de zege van het Italiaanse fascisme. De rode lampjes branden. Niemand mag naar binnen. Er worden dividenden verdeeld, presidenten benoemd en afgezet en er vallen ministers die over ontwapening durven spreken. Het lot der wereld wordt beslist achter gecapitonneerde deuren, die het jammeren der gekwetste niet doorlaten.
Zo was het begin 1914. Zo was het in 1916 in Zwitserse hotels, waar Engelse shag, Franse Caporal en Duitse Reemtsma vredig dooreen wolkten in een aangenaam aroma, waar doorheen men geen blinde, smekende ogen zag en geen stukgeschoten lichamen. De rode lampjes branden. Op de spoorwegen stopt de machinist, als hij een rood seinlicht ziet. Wanneer hij dat niet doet wordt hij gestraft. Maar de mensheid moet doorhollen. Wie stilstaat is strafbaar. Wanneer iemand de omstanders op dit kleine geniepige gevaar wijst, maant een politieagent dadelijk aan: "Doorlopen!" In andere, minder wellevende staten krijgt hij een klap met een gummiknuppel en nog elders gaat hij een concentratiekamp in. De volgende dag staat er iets in de krant, heel klein gedrukt, over lastige relletjesmakers. En de rode lampjes blijven branden.

A. den Doolaard


maart 1996
De Anti Fascist
12