AFVN Actueel 20 februari 2008

Artikel uit het Nieuw Israëlitisch Weekblad d.d. 15 februari 2008

Artikel uit het Nieuw Israëlitisch Weekblad d.d. 15 februari 2008

Meeloper of rode loper?

Het komende optreden van de operettester Johan Heesters in theater De Flint in Amersfoort heeft tot grote opschudding geleid. Hem wordt verweten in de oorlog voor Duitsland te hebben gekozen. Tegendemonstraties en een heus tegenconcert worden nu zijn deel. Hoe 'fout' was Heesters eigenlijk? En: doet dat ertoe?

PAUL DAMEN

Iedereen heeft recht op een vaderland, of een moederland. Maar Johan Heesters trok al in 1934 voor carrière en inkomen recht tegen de stroom artistieke vluchtelingen in naar Oostenrijk en Duitsland, Het is de vraag of hij zijn vaderlanderschap niet toen reeds verspeeld heeft. Wat er ook aan emoties en historische interpretatie rond Heesters hangen. De kern blijft de vraag: wat deed hij in het Derde Rijk, hoe kijkt hij daarop terug, en is hij op basis van beiden op zijn oude dag nog wel welkom of niet? Als Heesters zijn land al verraden heeft, was hij er in elk geval vroeg bij. Na rollen in het klassieke toneel, gezongen partijen in het lichtere genre zoals operette en wat filmrollen (onder meer in de Jordaanklassieker Bleeke Bet), verruilde Heesters eind 1934 Nederland voor Oostenrijk en debuteerde daar succesvol in de operette Der Bettelstudent. Tegelijkertijd veranderde Oostenrijk van een wankele democratie in een autoritaire staal: het parlement ontbonden en kanselier Engelbert Dollfusz vermoord. Heesters had andere zorgen: hij draaide binnen korte tijd zo goed mee in de lokale amusementindustrie, van operette tot film. dat hij nauwelijks anderhalf jaar later een Hollywoodcontract kon afwimpelen omdat hij al verbonden was aan de Duitse filmmaatschappij Ufa. In het Derde Kijk kon geen acteur optreden zonder lidmaat schap van de Rijksfïlmkamer of de Rijkscultuurkamer. Beide instellingen zochten op rassengronden uit of de desbetreffende acteur wel arisch genoeg was. Heesters, afkomstig uit een katholieke koopmansfamilie in Amersfoort, slaagde volledig voor het arisch examen. Ten overvloede bevestigde hij: „Noch ik, noch mijn ouders stammen at van Joodse of andersoortige vreemde rassen."

Daarna stond niets een glansrijke carrière in nazi-Duitsland in de weg. Het was 1936. Pas over vier jaar zou de oorlog het door hem afgeschreven Nederland bereiken.

Weekmaker
Heesters draaide volop mee in de Duitse amusementsindustrie,en bleef dat van harte doen. Tussen 1933 en 1944 gingen 17 Duitse speelfilms in première waarin Heesters een hoofdrol speelde. In een open brief die hij onlangs, eind 2007, ter verdediging aan zijn Nederlandse “lieve mede-landgenoten" schreef, stelt hij dat hij nimmer in het nazi- propaganda-apparaat meedraaide. „U vindt van mij geen oproep om op Hitler te stemmen en naar foto's van mij, aan de zijde van de nazi-kopstukken zoekt u vergeefs." Nu kan dat laatste eerder toeval dan opzet zijn, maar Heesters heeft een punt als hij zegt dat hij nimmer het nazi-regime verdedigde. Dat hoefde ook niet, omdat hij binnen dat regime een andere rol had: via zijn bepoedersuikerde films vol vrolijke zang en dans bracht hij pubers het hoofd op hol, schonk de rest van de bevolking een moment om weg te dromen, en fungeerde Heesters bewust als weekmaker in een genazificeerde oorlogscultuur.
Hij dook gemakkelijk in het gat dat vermoorde of gevluchte joodse zangers als Joseph Schmidt hadden achtergelaten. Maar ook toen de Duitsers Nederland bezetten, bleef hij op zijn post. In memoires legt hij uit waarom: hij wilde het Duitse publiek, dat hem met open armen ontvangen had, niet in de steek laten. Maar Heesters had des te meer materiele redenen om in zijn nieuwe vaderland te blijven. Hij bezat er diverse huizen, hij was mede-eigenaar van een fabriek en van diverse andere ondernemingen (waaronder kledingwinkels), en bovendien, zo schrijft hij, moest hij uiteraard ook aan zijn schoolgaande kinderen denken.

Meeloper
Bij Heesters herinneringen kan het volgende aangetekend worden. Hij kon die 'diverse grote huizen' kopen omdat, zowel in Berlijn als in Beieren, de oorspronkelijk joodse eigenaars waren gevlucht dan wel verwijderd. De grote sommen geld die hij verdiende met zijn optredens in film en theater investeerde hij samen met een collega in een fabriek voor kopervervangende metalen, Geen apolitieke investering: koper was schaars en de Duitse wapenindustrie had geleidingsringen voor granaten nodig. Men kan zich afvragen of in Heesters' fabriek, zoals vaker voorkwam in de oorlogsindustrie, dwangarbeiders rond liepen. Het is nimmer onderzocht.
Heesters zat gebeiteld onder de nazi's. Al zijn optredens in de nazi-filmindustrie hadden hem geen windeieren gelegd. De Duitse historicus prof. Ingo Schiweck, die zeven jaar geleden een grondig artikel aan Heesters oorlogsverleden wijdde (“Ich bin Hollander!", Jahrbuch Zentrum für Niederlande Studiën nr. 12, 2001. pag. 105 ev.) becijferde het inkomen van Heesters alleen al voor zijn films op ongeveer een half miljoen Rijksmark, omgerekend nu zo'n 15 miljoen euro. Zo ving Heesters voor Liebesschule uit 1940 nog zo'n 17.000 Reichsmark, maar kon hij voor Die Fledermaus in 1945 al een gage van 60.000 RM bedingen. Samen met zijn inkomen uit de platenverkoop, zijn gages voor de talrijke toneeloptredens, plus uiteraard die uiterst winstgevende oorlogsfabriek en zijn kledingzaken, was zijn luxe leven verre te verkiezen boven dat in het bezette Nederland. Toch was het niet genoeg. Schiweck wijst op diverse brieven, waarin hij aandringt op een hoger honorarium (allen ondertekend met 'Heil Hitler!') maar er is ook een brief uit december 1942 aan propagandaminister dr. Joseph Goebbels, waarin de succesvolle filmster erop aandrong in meer films te mogen spelen. Hij wilde zijn talenten optimaal inzetten voor de amusementsindustrie van het Derde Rijk. Voor het overige was Heesters bij de nazi-kopstukken kind aan huis. Van Hitler is bekend dat hij zelfs speciaal omreisde als Heesters in zijn buurt een theateroptreden had. Kortom, Heesters was allesbehalve het slachtoffer, dat hij nu in meelijwekkende brieven probeert te spelen. Hij was een meeloper met nazi- Duitsland, en hij liep maar al te graag mee. En hard.

Dachau
Totnogtoe spitste de discussie rond Heesters zich toe op zijn bezoek aan het concentratiekamp Dachau op 21 mei 1941. Volgens het meest recente onderzoek heeft Heesters daar inderdaad niet voor gevangenen of personeel opgetreden, en mogen we veronderstellen dat zijn bezoek, ingekaderd in de Duitse propagandamachine, niet geheel vrijwillig was. Het is zelfs de vraag wat Heesters en zijn toneelensemble van het Münchner Gartnerplatztheater precies gezien hebben: uit zijn memoires („Het zag eruit als een typische kazerne, zoals we die kenden uit de geillustreerde weekbladen.") zou men kunnen afleiden dat Heesters niet in het kamp zelf, maar langs de manschappenverblijven werd geleid. Maar wat Heesters ook gezien heeft, het dondert niet. Feit is dat Dachau toen reeds een aanzienlijk aantal politieke gevangenen huisvestte, die wel wat anders aan hun hoofd hadden dan het propagandabezoek van een nazi-filmster. Heesters bezocht de moeder aller concentratiekampen - Dachau is immers als eerste geopend - in dezelfde tijd dat in Nederland tijdens de Februaristaking krachtig werd geprotesteerd tegen de Jodenvervolging, en Nederlandse tegenstanders door de bezetter werden afgevoerd naar datzelfde Dachau. Maar de Nederlander Heesters kuierde Dachau in en uit. Het feit dat Heesters nu nog zijn (desnoods ongewilde) rol als zoetgevooisde propagandist („wij deden alsof het ons interesseerde, een soldaat maakte enkele privé-foto's, en 's avonds hadden we, geloof ik, alweer een optreden.") onderschat, geeft alleen maar aan dat de blinde vlek voor zijn rol in het nazi-apparaat nog steeds krachtig op zijn netvlies aanwezig is. Iemand die in de al genoemde brief aan zijn 'lieve mede-landgenoten' zijn duizenden optredens terugbrengt tot 'het feit (buiten mijn schuld om) dat ook Adolf Hitler van operettes hield' - zo iemand heeft er niets van begrepen.
Dat zou dan ook de werkelijke reden moeten zijn om zich af te vragen of het optreden van Heesters wel opportuun is. Het is dan ook jammer dat tegenstanders even opnieuw als onterecht Heesters verwijten in Dachau te hebben opgetreden, en hem 'gewetenloze daden' verwijten zonder enige historische invulling. En dan, altijd als zijn rol beperkt wordt tot zijn vermeende Dachau optreden, komt Heesters er handig mee weg. Dat is dan ook gebeurd na het overleg tussen NHIS-directie, de NIK-secretaris en de Joodse Gemeente Amersfoort met het gemeentebestuur van die stad: het heeft niet geleid tot het afgelasten van de voorstelling. 'Heesters was immers niet fout.' In Dachau dan.

Protest
Het is niet de eerste keer dat Heesters streeft naar rehabilitatie. In 1964 speelde hij in de Nederlandse versie van The Sound of Music de anti-nazi-gezinde Baron von Trapp. Maar behalve door tegenstanders die 'Heesters SS' schreeuwden zodra hij begon te zingen, werd de voorstelling nauwelijks bezocht en al na vier maanden van het programma gehaald. Het verschil tussen toen en nu is dat Heesters optreden op 16 februari geheel is uitverkocht, ondanks de felle protesten, en dat er een tegenconcert wordt georganiseerd met muziek van componisten, die door de nazi's vervolgd werden (zie pagina 10-11).
Het verschil is ook dat ditmaal het gemeentebestuur van Amersfoort en de directie van de Flint zich achter Heesters opstellen. Zowel cultuurwethouder Kruyt als Flint-directeur Erkelens hebhen zich vastgebeten in Heesters' versie van de historie zonder zelf op onderzoek te gaan. Met die legitimatie in de knip kan Heesters. die voorafgaand aan het concert geen enkel interview meer wil geven, zich opnieuw vrijpleiten van elke bemoeienis met het nazi-regime. En dus kan hij in zijn meest recente rondschrijven de tegenstanders 'uiteraard betreuren', maar 'moed putten uit vele opmonterende groeten van bezoekers, die zich op het concert verheugen'.
Als een groot deel van de bevolking, desnoods uit een onjuist historische motief, in Heesters optreden terecht een rehabilitatie voor zijn oorlogsrol ziet, zou je als bestuur en theaterdirectie die beker aan je voorbij moeten laten gaan. Maar de organisator en de theaterdirecteur zetten door - de directeur omdat hij geld wil verdienen en de politicus omdat hij zijn oogkleppen koestert. Precies die twee eigenschappen, geldzucht en oogkleppen, zijn de kernbegrippen in Heesters' carrière. Zeker op krap 3,5 kilometer van Kamp Amersfoort verdient een zodanige meeloper allesbehalve een rode loper.