Populisme verhult neofascisme

Bron: NCPN/Manifest

i-011-022.jpg
De vrouw met het bord demonstreerde tegen nazi’s op 29 januari 2017 jl. in Washington. (Foto: ep_jhu/Flickr/cc/by-nc) In de slipstream van Trump roeren de Amerikaanse neonazi’s zich steeds meer, zoals op de foto Richard Spencer die poogde een toespraak te houden op het universiteitsterrein van Gainesville in Florida. (Foto: ZLV)

i-011-023.jpg
John Bellamy Foster

In het liberale – lees: niet-conservatieve – taalgebruik is het begrip rechtspopulisme een niet al te negatieve benaming: het keurt deze politieke stroming weliswaar af, maar verschaft het tegelijkertijd een alibi door volledig voorbij te gaan aan de kwestie van fascisme en neofascisme. Dat weerspiegelt de dubbelzinnige houding van de heersende klasse ten opzichte van ‘radicaal rechts’, dat ondanks zijn verondersteld ‘radicalisme’ gezien wordt als volledig verenigbaar met het kapitalisme.

In feite zijn de rechtse neofascistische krachten – waar de mondiale elites voor op hun hoede blijven – in grote delen van Europa systematisch ontdaan van hun ‘duivels karakter’ en worden ze vaak gezien als acceptabele partners in een centrumrechtse regering.

Het fenomeen Trump ondergaat momenteel een vergelijkbare verandering. De historici Federico Finchelstein en Pablo Piccato schreven onlangs op de opiniepagina van de Washington Post dat “Trump door zijn racisme en charismatisch leiderschap bijna te vergelijken is met een fascist, maar waarschijnlijk beter omschreven kan worden als een post-fascist, dat wil zeggen als een populist. (…) Het hedendaagse populisme is voortgekomen uit de nederlaag van het fascisme en creëert – in een nieuwe post-fascistische poging om de fascistische ervaring een rol te laten spelen in de verdere ontwikkeling van de democratie – op zijn beurt een autoritaire vorm van democratie.” Andere mainstream commentatoren zijn zelfs nog allergischer voor elk verband tussen het fenomeen Trump en het fascisme. Vox-schrijver Dylan Matthews houdt dan ook vol: “Trump is geen fascist. (…) Hij is een rechtse populist.” De meeste commentatoren gaan deze kwestie behendig helemaal uit de weg. Voor New York Times-columnist Thomas Edsall vertegenwoordigt Trump simpelweg “de dominantie van het rechtspopulisme in Amerika”.

De heersende liberale benadering van deze kwesties is diep geworteld in veranderingen in de politieke theorie, die teruggaan tot de Koude Oorlog. Populisme als politieke categorie past binnen de ijkpunten van de totalitarismetheorie, zoals die met name door Hannah Arendt is ontwikkeld (The Origins of Totalitarianism, 1951). In deze visie moeten alle vormen van oppositie tegen het liberaal-democratisch bestuur van de kapitalistische maatschappij – van welke kant ze ook komen – beschouwd worden als niet-liberale totalitaire stromingen, die extra gevaarlijk zijn als ze wortels hebben in de massa’s. Een samenleving is dus alleen democratisch voorzover ze een liberale democratie is.

Daarmee worden de rechten en de bescherming van individuen beperkt tot enkel die vormen die bevorderlijk zijn voor een structureel niet-egalitair kapitalistisch regime dat geworteld is in privébezit. Zo’n samenleving, schreven de marxistische economen Paul Baran en Paul Sweezy in Monopoly Capital (1966), “is democratisch van vorm en plutocratisch van inhoud.” Binnen dit dominante perspectief van privaat eigendom is populisme zo de benaming geworden van alle bewegingen met enige aantrekkingskracht onder de bevolking, die het heersende liberaal-democratische staatsapparaat in de ontwikkelde kapitalistische samenlevingen uitdagen.

Een belangrijke ideologische verschuiving vond plaats met de val van de Sovjet-Unie in 1991 en heeft geleid tot een bijna algemene aanvaarding van de liberaal-democratische staat als de enige verdediging tegen het totalitarisme (en het kwaad), een visie die met name verbonden is met Arendt.Slavoj %iZek schrijft in Did Somebody Say Totalitarianism? (2001): “Het verheffen van Hannah Arendt tot een onaantastbare autoriteit (…) is misschien wel het duidelijkste teken van de theoretische nederlaag van links – van hoe links de fundamentele ijkpunten van de liberale democratie (zoals ‘democratie’ tegenover ‘totalitarisme’) heeft geaccepteerd en nu probeert om binnen deze ruimte haar (op)positie opnieuw te bepalen. (…) ‘Totalitarisme’ is altijd een ideologisch begrip geweest dat de complexe operatie ondersteunde van ‘het temmen van de vrije radicalen’, het waarborgen van de liberaal-democratische hegemonie en het daarmee weerleggen van de linkse stelling dat de rechtse fascistische dictatuur de keerzijde is van de liberale democratie – als waren ze een ‘tweeling’.

Het heeft geen zin om te proberen ‘totalitarisme’ vrij te spelen door het in subcategoriën te verdelen (en de nadruk te leggen op het verschil tussen de fascistische en de communistische variant): op het moment dat men het begrip ‘totalitarisme’ accepteert, zit men onherroepelijk binnen de liberaal-democratische horizon. De conclusie is dan ook (…) dat het begrip ‘totalitarisme’ helemaal geen werkzaam theoretisch concept is, maar een soort stopwoord: in plaats van ons in staat te stellen om na te denken en ons te dwingen om nieuwe inzichten te verwerven in de historische realiteit die het beschrijft, ontslaat het ons juist van de plicht om na te denken of maakt het ons het denken zelfs onmogelijk.”

Het tegenwoordig algemene gebruik van de term populisme houdt direct verband met deze ‘liberaal-democratische’ horizon. Populisme wordt beschouwd als het eerste stadium van een antidemocratische, dictatoriale, en zelfs totalitaire stroming – op rechts of op links – voorzover die zich verzet tegen de liberale democratie. (…) In deze definitie van populisme gaat bijna elke wezenlijke kwestie verloren, met name de totaal verschillende manieren waarop linkse en rechtse opstanden plaatsvinden, hun geheel andere klasse-ideologische basis en hun uiteenlopende, volledig onverenigbare doelen. In een kapitalistische samenleving is het fascisme de vijand van de liberale democratie. Het wil deze vervangen door een andere bestuursvorm van het kapitalistische systeem en daarbij de fundamentele burgerrechten en de grenzen van de uitvoerende macht opheffen, het onderdrukkingsapparaat versterken om de organisatie van de arbeidersklasse te verzwakken en etnisch-nationalistische vormen van sociale uitsluiting invoeren. Daarentegen is het socialisme niet de vijand van de liberale democratie, maar de vijand van het kapitalisme zelf. Socialisten willen dit vervangen door een geheel andere productiewijze, gebaseerd op ‘echte gelijkheid’ en ‘echte democratie’.

Geconfronteerd met de heropleving van fascistische stromingen in de westerse samenlevingen hebben velen ter linkerzijde er desondanks voor gekozen – misschien alleen vanwege het gemak – om zich aan te sluiten bij deze algemeen aanvaarde lijn-Arendt. Daarom wordt zelfs door vooraanstaande linkse analisten populisme voorgesteld als een onsamenhangende en irrationele aanval op de elites, ontstaan vanuit antidemocratische en totalitaire neigingen. Het accepteren van deze visie markeert een belangrijke politieke terugtocht – het laat de toon en de richting van het debat over aan de belangen van het liberaal-democratische establishment.

In zijn bespreking van de dominante framing van radicaal rechts als populistisch en de analytische problemen die dat met zich meebrengt, merkt Andrea Mammone in zijn Transnational Neofascism in France and Italy (2015) op dat “de termen populisme en nationaal populisme” in de afgelopen decennia met opzet door liberale Europese commentatoren zijn geïntroduceerd om daarmee “fascisme en neofascisme als de gebruikelijke terminologie te vervangen.” Deze stap was bedoeld om “te zorgen voor een soort politieke en democratische legitimering van rechts-extremisme.” Mammone stelt verder dat het omdopen van deze bewegingen in populistisch minder van doen had met iets van deze bewegingen zelf, dan met de veronderstelling dat de liberaal-democratische instellingen inmiddels te solide zijn geworden om tegenwoordig nog een neofascistische machtsovername toe te laten. In plaats daarvan worden deze neofascistische krachten in toenemende mate beschouwd als politiek plooibaar, met mogelijk een nuttige rol in het stabiliseren van de kapitalistische samenleving en het schaakmat zetten van links. (…)

In deze complexe en ideologisch betwiste context is het extra belangrijk om de vooraanstaande radicale commentatoren te prijzen – waaronder Judith Butler, Noam Chomsky, Juan Cole, Henry Giroux, Paul Street en Cornel West – die weigeren om het verschijnsel Trump populistisch te noemen en het zien als een onderdeel van een krachtige ‘neofascistische wind’ die de ontwikkelde kapitalistische landen teistert. Dit is beslist geen onbelangrijke kwestie: op het spel staat niets minder dan het linkse inzicht in en antwoord op een groeiende transnationale neofascistische beweging in Europa en de VS in de context van een zich verdiepende economische en politieke crisis (vet redactie Manifest).

Politieke bewegingen van het fascistische type hebben hun massabasis in de lagere middenklasse of kleine burgerij, met een overlap naar de meer bevoorrechte delen van de arbeidersklasse. Deze lagere middenklasse omvat momenteel bijna een derde van de Amerikaanse bevolking. Typische leden ervan zijn managers op lager niveau, semiprofessionals, vaklieden, ploegbazen en verkopers in de groothandel, meestal met een gezinsinkomen van rond 70.000 dollar per jaar. Vanuit deze sociale laag en van een aantal fabrieksarbeiders in met name plattelandsgebieden, als ook van eigenaren van kleine ondernemingen en franchisezaken heeft Trump de meest hartstochtelijke steun gekregen.

In dit opzicht kan de lagere middenklasse gezien worden als dat, wat C. Wright Mills de “achterhoede” van het kapitalistische systeem genoemd heeft. In tijden van crisis zorgt deze klasse vaak voor de opkomst van een “radicale” kleinburgerlijke ideologie, los van zowel de meer traditionele visie van de arbeidersklasse als de liberale visie: een ideologie die kritiek heeft op de kapitalisten die elkaar bevoordelen, en op de regeringselites, maar die tegelijkertijd een verbond sluit met de reuzenbedrijven en met ultrarechts tegen een vaak racistisch gekleurde “andere”, namelijk mensen met een donkere huidskleur en een laag inkomen, immigranten en de werkende armen. Meer bevoorrecht dan de in toenemende mate precaire meerderheid van de arbeidersklasse, maar zonder de zekerheid en rijkdom van de hogere middenklasse, is dit segment van de bevolking het meest geneigd tot een emotioneel nationalisme en racisme en de roep om de heropleving van “verloren” waarden en tradities: een “wedergeboorte-ultranationalisme”. In essentie steunt het neofascistische project evenwel, net zoals voordien het klassiek fascisme, op een alliantie van de lagere middenklasse met het financieel monopoliekapitaal, en dat leidt uiteindelijk tot het verraad van de eigen massabasis.

Bron: The Cloak of Populism, in John Bellamy Foster, This Is Not Populism; Monthly Review, juni 2017, pag. 2-5. <>

Vertaling: Louis Wilms.