TAV DE MINISTER – Deelname politici en militairen aan herdenking Roermond 1 sept.

OPROEP
AAN ALLE VOLKSVERTEGENWOORDIGERS, POLITICI, AMBTENAREN, GEESTELIJKEN, MILITAIREN, POLITIEMENSEN,  SCHOOLLEIDERS EN LERAREN TE ROERMOND OF ANDERSZINS BETROKKENEN BIJ HERDENKING INDISCHE VETERANEN 1 SEPT. 2018 ROERMOND

Wij roepen alle volksvertegenwoordigers, politica, ambtenaren, geestelijken, militairen, politiemensen, schoolleiders en leraren in Roermond en voor zover dienstig daarbuiten op om zich afzijdig te houden van het koloniale en racistische eren van de gevallenen op zaterdag 1 september bij het zg. Nationaal Indië Veteranenmonument. Ruim twintig jaar is hier verkeerd geëerd.

Ook vragen  we hen om hun achterban en kiezers, kerkleden, hun studenten en leerlingen, te bewegen niet aan deze zeer omstreden bijeenkomst deel te nemen.

Wij zijn de AFVN-Bond van Antifascistische Oud-verzetsstrijders en treden op tegen deze herdenking, nadat overleg met de organisatoren niet is gelukt.

Wij hebben overigens groot begrip voor het leed van de Nederlandse soldaten die door de regering en de legerleiding werden gedwongen om in Indonesië te gaan vechten tussen 1945 en 1950, en daarbij soms hun leven verloren of zware geestelijke beschadigingen opliepen. De regering was ernstig en verwijtbaar nalatig in het brengen van deze mensen in deze vooraf duidelijk uitzichtloze positie en ook ernstig en verwijtbaar nalatig in het helpen van deze mensen.

Wij hebben één duidelijk verwijt aan deze veteranen: zij hebben met man en macht 70 jaar lang getracht, de waarheid te verbergen, verhullen, verdraaien, een een paar uitzonderingen na. Dat kan natuurlijk niet.

Maar de regering heeft bovendien 70 jaar lang verborgen, verhuld, verdrukt of verzwegen welk kolonialisme en uitdrukkelijk of inherent racisme en welke oorlogsmisdaden zij heeft gedoogd die daar in haar naam gepleegd zijn. Pas de laatste vijf jaar is daar ondanks de regering en haar actieve en schuldige tegenwerking, veel meer duidelijkheid over gekomen louter door persoonlijk initiatief, vaak door de regering ofwel genegeerd ofwel actief tegengewerkt – of ontkend.

De regering Rutte III heeft die openheid wederom negatief beïnvloed, door vorig jaar ondanks een jaar eerder  verschenen duidelijke studie, opdracht te geven voor een totaal zinloos nieuw vierjarig onderzoek naar de toedracht, dat slechts herkauwen van bekende gegevens betekent en de regering vier jaar uitstel van afdoening biedt. De vier miljoen euro die dat kost hadden moeten gaan naar een verzoeningsproject.
Gezien het feit dat de regering liever geld besteedt aan het verlagen van de dividendbelasting voor buitenlandse multinationals, is de kans dat deze regering nog ooit aan deze morele plicht van actieve verzoening zal voldoen, nu gedaald tot nul.
Daarbij komt, dat premier Rutte zelf nooit afstand heeft willen nemen van het koloniale ‘Indische’ verleden van zijn beide ouders. Rutte heeft ook nooit met zoveel woorden willen erkennen wat dr L. de Jong in zijn standaardwerk  ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ deel 11 al in 1985 schreef, namelijk dat er tijdens WO-II minstens 2,5 miljoen burgerdoden onder de Javanen vielen, en mogelijk 3 tot 4 miljoen onder alle Indonesiërs, ook wel aangeduid als ‘de Indische Holocaust’. Na de oorlog heeft de Japanse onderzoeker Sato het getal van 4 miljoen genoemd.
Deze doden waren uiteraard de verantwoordelijkheid van de regering Colijn, die verzuimde om haar kolonie voldoende tegen agressieve aanvallers te verdedigen, daarmee de Indonesiërs uitleverend aan een ander, even keihard maar nieuw koloniaal systeem. Deze onwil om fatsoenlijk te verdedigen is even immoreel als het koloniseren.
De regering heeft door haar afwijzende houding ook vermeden, dat een zinvol proces van herstel van  de sterk verstoorde verhoudingen met de Indonesische slachtoffers op gang kwam, zoals in Zuid-Afrika onder bisschop Tutu wel gebeurd is tussen onderdrukkers en hun slachtoffers via de verzoeningscommissies, de zg. ‘Truth and Reconciliation Committees’.
Het grote merendeel van de ‘Indische’ groepen en de ‘Indische’ veteranen houden nu vast, mede als gevolg van de verhullingen van de regering en het leger, aan de volgende zaken:

1.    – het eren van de 6.000 militaire doden die vielen bij de onderdrukking van het Indonesische volk, dat door de Nederlanders 350 jaar bloedig, keihard en met groot geweld onderdrukt werd, voor het laatst tussen 1945-1950; zij dienen herdacht of betreurd te worden door wie dat wil, maar niet officieel of anderszins geëerd -geen saluten, geen gebogen hoofden, geen in de houding staan
2.    – het volledig en opzettelijk negeren van de minstens 150.000 doden onder de Indonesische bevolking, die zij door brandstichtingen, marteling, executies en moord veroorzaakt hebben; zowel de regering als de ‘Indische’veteranen en de ‘Indische’groepen in Nederland, en het leger, dienen deze slachtoffers openlijk te erkennen;
3.    – het weigeren afstand te nemen van het volkomen foute Nederlandse kolonialisme, en de daarbij horende keiharde onderdrukking en bloedige van de bevolking en diens vrijheidswens, van uitbuiting door grove dwang op boeren en zeer harde belastingen; de ‘Indische’ groepen en veteranen plus de regering dienen volledig en zonder terughouding kolonialisme te veroordelen
4.    – het weigeren te accepteren dat het regeringsstandpunt sinds 2005 is, dat de oorlog tegen Indonesië volkomen fout was (minister Ben Bot)
5.    – zich vastklampen aan slachtofferschap, terwijl de ‘Indische’ veteranen de daders waren en 1 op de vijf onder hen zich schuldig maakte aan grove oorlogsmisdaden; aan kapitein Westerling wordt door de Indonesiërs de dood van 40.000 burgers op Zuid-Sulawesi (Celebes) toegeschreven (er bestaat in Jakarta een ‘Djalan 40.000’, ‘De Weg van de 40.000’)
6.    – het eren van generaal Spoor die wij beschouwen als de grootste oorlogsmisdadiger van Nederland na WO-II (tevens commandant van Westerling) ; elke vorm van eer aan Spoor dient te worden gestopt en door justitie te worden opgevat als aanzetten tot discriminatie en vervolgd te worden; uw gemeente dient er op toe te zien dat er zolang de buste van Spoor nog staat, eventueel gelegde bloemen of andere eerbewijzen elke dag verwijderd worden
7.    – het weigeren tot een dialoog te komen met critici van dit optreden.

Uiteraard betreuren wij de dood van deze meest jonge, Nederlandse mannen. Wij accepteren echter niet zonder meer het argument, dat zij ‘ook maar gestuurd werden’. Er waren tenslotte 3.000 Nederlandse dienstweigeraren. En verder geldt ieders eigen verantwoordelijkheid, en níet en nooit het nazistische ‘Befehl ist Befehl’.

Evenmin geldt dat deze jonge mannen onwetend waren en niet begrepen waar zij heen gestuurd werden: de discussie over de vrijheid voor Indonesië liep al sinds ‘Max Havelaar’ uit 1860, er was in de jaren 1925-26 sprake van zware vervolging van idealistische Indonesische vrijheidsdenkers, compleet met politieke processen en een concentratiekamp; het debat werd in Nederland na de bevrijding in 1945 heftig, waarbij de CPN, maar ook één derde van de toen zeer grote en invloedrijke PvdA, zich uitdrukkelijk tegen kolonialisme en militaire onderdrukking uitsprak. En van de bekendste weigeraren was ‘gelauwerd verzetsman Henk van Randwijk, oprichter van Vrij Nederland, dat toen 200.000 abonnees had. Hij kon zich, net na veel bloedvergieten, onderdrukking, gruwelijke wandaden en de Holocaust van de nazi’s, niet verenigen met een nieuwe onderdrukking – nu door de Nederlanders.

Dat werd allemaal uitvoerig in de kranten en op de radio gepubliceerd. Bovendien kende iedereen – ook de simpelste boerenjongen van 17 van het platteland ver achter Amersfoort, Vught of Westerbork, de naam ‘Van Heutsz’, en het was ook toen algemeen bekend dat hij de ‘Slachter van Atjeh’ was geweest. Zijn bloeddorstige koloniale rol was al bij zijn leven diverse malen veroordeeld, en ook na zijn dood in 1924. Nederland bezette met moorddadige methodes als die van Van Heutsz dit land al 350 jaar, dat was algemeen bekend.
Door deel te nemen aan deze erende herdenking van uitvoerders van de gewelddadige en volstrekt illegale onderdrukking van een ander volk, maken de deelnemers aan deze herdenking zich schuldig aan het aanzetten tot discriminatie, wat een misdrijf is volgens Art. 137e van het Wetboek van Strafrecht.
We zullen dan ook de organisatoren van deze herdenking zo nodig aanklagen bij de officier van justitie, als zij hun voornemen tot deze illegale herdenking doorzetten en blijven weigeren afstand te nemen van het kolonialisme en daaraan verbonden racisme.
Vooral zullen wij aanklachten indienen tegen actieve militairen die in uniform deze herdenking bijwonen en daarmee kolonialisme, discriminatie en racisme ondersteunen zo doende tot verdere discriminatie aanzetten. Zij dienen zich te voegen naar het wettelijk verbod op discriminatie en het standpunt van de regering, verwoord in 2005 door minister Ben Bot, dat deze onderdrukkingsoorlog fout was.
We roepen alle geïnteresseerden op, om de schandelijke en gruwelijke Nederlandse onderdrukking zelf te onderzoeken door bijv. de veelgeprezen studie van de historicus dr Rémy Limpach, ‘de brandende kampongs van generaal Spoor’ (2016), te lezen. Daarin staan duizenden oorlogsmisdaden door Nederlandse soldaten bedreven, uitvoerig beschreven, met data, plaatsen, uur en daders en slachtoffers. De auteur is medewerker van het ministerie van Defensie. Zijn boek beleeft nu de vierde druk, en is wetenschappelijk tot nu toe door geen enkele wetenschapper weerlegd.

Wij verzoeken tevens de gemeente om volgende week een voorlichtingsavond voor alle burgers te organiseren met een van onze medestanders als spreker. De gemeente heeft tot nu toe deze illegale herdenking ondersteund, en is volgens ons moreel verplicht om ten minste op deze manier, haar ernstige fout te herstellen.

BUSSUM, 22 aug. 2018